Volledig scherm
John Smidt 86 uit Axel werd eind oktober 2012 omgebracht. © Camile Schelstraete

Advies aan Hoge Raad; 24 jaar voor martelmoord op John Smidt uit Axel is terecht

DEN HAAG - De 24 jaar celstraf die Axelaar J van der Z in februari in hoger beroep kreeg opgelegd vanwege de moord op de 86-jarige plaatsgenoot John Smidt kan in stand blijven. Dat adviseert de advocaat-generaal de Hoge Raad in een conclusie die vandaag is gepubliceerd.

De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij in de nacht van 23 oktober 2012 samen met een medeverdachte het bejaarde slachtoffer van 86 jaar oud heeft opgewacht in een park in Axel waar de man zijn hond uitliet. De man werd daar ernstig mishandeld en is vervolgens in de kofferbak van zijn eigen auto gelegd. Onderweg zijn beide verdachten op verschillende plekken gestopt en is de man op zeer gewelddadige wijze mishandeld met het doel zijn pincode te verkrijgen. Daarbij werd een deel van zijn oor afgesneden en is zijn wijsvinger achterover gedrukt. Uiteindelijk is het slachtoffer door vele messteken om het leven gekomen en is hij achtergelaten in een sloot. Daarna hebben de verdachten het huis van het slachtoffer doorzocht naar zijn pincode en zijn vergeefse pogingen gedaan om geld op te nemen.

15 jaar cel

Het gerechtshof deed in februari van dit jaar weinig aan de straf die de 38-jarige verdachte eerder van de rechtbank in Middelburg kreeg. Alleen omdat het proces zo lang duurde kreeg Van der Z. een jaar minder straf dan de 25 die hij eerder van de rechtbank kreeg. Het gerechtshof kon niets met het gerucht dat niet Van der Z., maar de eveneens voor de moord veroordeelde G.J., de fatale messteken zou hebben geplaatst. J. kreeg van de rechtbank 15 jaar cel en ging niet in hoger beroep. J. zou in een gesprek met geestelijk verzorgers in de gevangenis hebben gezegd dat hij de fatale steekbewegingen maakte. Bij het hof ontkende hij dat en zei hij dat Van der Z. stak. Het hof gelooft dat.

Om die uitspraken is veel te doen geweest. Ook de verzorgers moesten voor het hof verschijnen om over de uitspraken van J. te praten. Zij beriepen zich echter op hun verschoningsrecht en zeiden niets inhoudelijks. Terecht, stelde het hof in het arrest opnieuw.

Vernietigen

Van der Z. noemde de uitspraak in hoger beroep een aanfluiting en kondigde aan in cassatie te gaan. Zijn advocaat vraagt de Hoge Raad nu de beslissing van het gerechtshof te vernietigen. Hij is onder meer van mening dat het gerechtshof ten onrechte het verschoningsrecht heeft toegekend aan de geestelijk verzorgers. Medeverdachte G.J. zou aan hen hebben verklaard dat hij de moord alleen zou hebben gepleegd. Volgens de verdediging is het verschoningsrecht op de verzorgers niet van toepassing en is met het toekennen ervan de mogelijkheid om de twee te bevragen weggevallen. 

De advocaat-generaal vindt de cassatieklacht niet gegrond. Hij vindt het oordeel van het gerechtshof om het verschoningsrecht toe te kennen terecht. Dat voor de verdediging daarmee de ondervragingsmogelijkheid is ontnomen klopt, maar het hof is van mening dat dit het recht op een eerlijk proces niet in de weg heeft gestaan. Uit andere bronnen is namelijk voldoende informatie verkregen over de uitlatingen van de medeverdachte. Ook de andere cassatieklachten leiden in de visie van de AG niet tot vernietiging van de uitspraak. De veroordeling en de opgelegde straf kunnen dan ook in stand blijven.

De uitspraak van de Hoge Raad is voorlopig bepaald op 7 januari 2020.