Volledig scherm
Wessel te Gussinklo © Mechteld Jansen

Schrijver Wessel te Gussinklo: Ik voelde alleen maar chaos (video)

KAMPERLAND - Aan een doodlopende weg in Kamperland woont de gelauwerde auteur Wessel te Gussinklo. In februari verschijnt zijn roman De Weergekeerde Bloem, over een vampiristische vriendschap.

Het manuscript beslaat zeven schriftjes, helemaal volgeschreven in een priegelig, nagenoeg onleesbaar, markant handschrift. Hier en daar een doorhaling of aanvulling, maar grotendeels in één ruk doorgeschreven. Te Gussinklo heeft er negen maanden over gedaan. De Weergekeerde Bloem (ruim vierhonderd pagina’s) gaat over een vriendschap tussen twintigers. De één schrijver, de ander liefhebber van literatuur.

Autobiografische elementen

“De dialoog met zijn vriend stelt de hoofdpersoon in staat helder onder woorden te brengen wat hem bezighoudt en wat hij met zijn schrijven wil. Het is een caféliterator, zoals ik zelf tot mijn 33e ook was: veel praten, weinig schrijven. Het boek heeft meer van die autobiografische elementen. Zo’n vriendschap waarin je de ander idoliseert heb ik ook gehad. In het boek is het bijna een vampiristische vriendschap. Ze gebruiken elkaar, ze parasiteren. De vriend is een engelachtige, beeldschone jongeling. Er is voortdurend een soort spanning - zou er tussen hen iets ontstaan? Zou de vriend homo worden, of zijn? Dat blijft tot het eind onduidelijk. De vriend heeft zelfs een vaste vriendin die voor hem in een bordeel gaat werken.”

Vonk

“Ik was 22 toen ik zomaar uit het niets in drie maanden tijd een roman schreef. Voortreffelijk, maar kaaltjes vooral. Een uitgever zei tegen mij: ik vind het arm van taal. Toen dacht ik – en dat komt in dit nieuwe boek terug : dat kan ik veel beter. Daar ging het mis. Opeens was de vonk weg. Elke dag ging ik naar het café en dronk en praatte over schrijven, maar er gebeurde niets. Toen ik 33 was ben ik van de ene dag op de andere opgehouden met drinken. Dat was ‘The year of crucifixion’: het jaar waarin je tegen jezelf zegt: wil je als man stérven of als man léven?”

Ruzie

“Als je niet meer drinkt, ontdek je dat de meeste mensen godvergeten saai zijn. Maar ik móet de deur uit om te schrijven, anders word ik gek. Elke dag ging ik naar cafetaria of cafés in Utrecht. Ik praatte met niemand. Ik dronk koffie, ik las de krant, ik schreef. ’s Avonds keek ik thuis - dat was een zomerhuisje in Houten waar de wind dwars doorheen waaide - een paar uurtjes televisie, Peyton Place of zo, om tot rust te komen. Om een uur of elf ging ik weer schrijven tot half vier ’s nachts. De volgende dag stond ik om een uur of twaalf op en begon opnieuw. In 1977 kwam De Verboden Tuin af. Enthousiast ontvangen door literaire tijdschriften als Maatstaf – van De Arbeiderspers – en De Gids. Helaas kreeg ik ruzie met Gerrit Komrij, toen redacteur bij Maatstaf. De Arbeiderspers liet me toen vallen, al waren er bij Maatstaf al acht hoofdstukken gepubliceerd. Ik was intussen al niet jong genoeg meer voor uitgeverijen, niet sexy genoeg. En bovendien geen netwerker. Het duurde tot 1986 tot ik dankzij de enthousiaste en onvolprezen journalist en schrijver K.L. Poll een uitgever vond voor mijn boek. Maar dat werd toen wel prompt bekroond.”

In zijn geboortestad Utrecht werd Te Gussinklo deze week de C.C.S. Croneprijs 2016 uitgereikt. Volgens de jury heeft Te Gussinklo sinds zijn debuut in 1986 een indrukwekkend oeuvre geschreven dat behoort tot de top van de Nederlandse literatuur, met De Opdracht als hoogtepunt.

Welke van uw prijzen is u het dierbaarst?

“De ECI-prijs, omdat die werd toegekend door een zware jury. Maarten ’t Hart zat er in, Adriaan van Dis, Tom van Deel en zo nog wat zwaargewichten. Ook de Bordewijkprijs is een belangrijke literaire prijs. Literaire prijzen voelen als erkenning en herkenning. Recensies zijn zeker zo belangrijk. Met publieksprijzen heb ik minder. Eigenlijk maakt het niet uit wat de lezer van mijn boeken vindt. Literatuur is altijd maar voor een kleine groep geweest. Dat zie je terug in de verkoopcijfers. Van de roman Zeer Helder Licht zijn nu 7000 exemplaren verkocht. Dat heet dan een bestseller, in de literatuur. Gejuich in de kranten, ‘schitterende roman’ en weet ik wat allemaal. Van Het Engeltje, een hartstikke leuk boekje toch, zijn 375 exemplaren verkocht. Als mensen me echt willen leren kennen, moeten ze mijn boeken maar lezen. Het Engeltje; dat is Te Gussinklo voor beginners, zou ik zeggen. En dan die andere, De Opdracht. In november is de vierde druk verschenen.”

Nachtmens

Hij is nog maar net op. Nachtmens, altijd al geweest, verklaart Te Gussinklo. Als kind had hij dat al: niet naar bed willen. Een uitgesproken voorkeur voor de nacht, omdat die zo stil en rustig is. En dan ’s morgens moeite met opstaan, natuurlijk. “Om een uur of 3, 4 ga ik meestal slapen. Rond het middaguur sta ik op. Tegenwoordig wat later. Drie uur wel eens.”

Kamperland

Het huis waarin Te Gussinklo in 2007 met zijn tweede vrouw Odilia neerstreek, staat op 11.000 vierkante meter grond. Heimdal, in Kamperland. Zo heette het al toen ze het landgoedje voor het eerst zagen. De dijk, de boomgaard, een schapenwei, een logeerhuis: “Odilia vond het maar niets. Dat moet je allemaal onderhouden, zei ze. Ik antwoordde: kan me geen donder schelen! Dan laat je het dichtgroeien. Al die grond is van jou! Heerlijk toch!”

Geen van beiden afkomstig uit Zeeland – maar toch hier komen wonen. Waarom?

“Mijn eerste vrouw Jacomine was van huis uit een Middelburgse. Haar ouders woonden aan de Rouaansekaai. Ze hadden een buitenhuisje in Serooskerke. Daar logeerden we regelmatig. Als kind ging ik nogal eens op vakantie in Domburg en later naar de boot in Veere. Mijn tweede vrouw Odilia ging ook altijd naar Zeeland met haar ouders. Alle pijlen wezen naar Zeeland. Op een dag zeiden we tegen elkaar: laten we eens gaan kijken of er geen leuke huizen zijn. Zo kwamen we hier terecht.”

Zwarte schaap

“Mijn oom was een Zeeuw: Jan Leunis Koole, hoogleraar theologie in Kampen. Ik kom uit een gereformeerd nest, uit een wereld van dominees en dokters; de wereld van de sociaal vaardigen. Als ik niet naar de kerk ging, als ik geen belijdenis deed, kreeg ik geen zakgeld. Maar op mijn veertiende zag ik het al: het zijn sprookjes! Ze zijn gek!’ Ik werd geen dominee, zoals ze van mij verwacht hadden, maar het zwarte schaap van de familie. Tegelijk ben ik een vreselijke calvinist gebleven. Ontmaskeren is heel essentieel voor mij. Dubbele lagen, schijnheiligheid: daar prik ik graag doorheen. Ik kan het niet laten, ik heb een hekel aan opsnijderij. ”

Te Gussinklo steekt een sigaret op: Peter Stuyvesant. De lichtste variant. Nee, dan in zijn existentialistische periode: toen rookte hij zware Gauloises, drie pakjes per dag.

Sartre

“Mijn leraar Frans van het gereformeerde Revius Lyceum was een christen-existentialist. In de laatste les voor de grote vakantie las hij iets voor van Sartre. Direct voelde ik een enorme verwantschap. In die tijd leefde ik zoals dat heet ‘in duisternis en onder schaduwen’. Hij legde uit: dat iedereen zichzelf moet scheppen. Dat ze zichzelf niet zijn, niet echt, dat ze zichzelf spélen. Het is allemaal oppoetserij, begreep ik toen, iedereen presenteert zichzelf zo goed mogelijk. Het voelt misschien wel echt aan, maar het is allemaal toneel.”

Chaos

“Vóór die tijd dacht ik: hoe is het mogelijk! Hoe doen die anderen dat toch? Ik voel alleen maar chaos! Ik ben nooit mezelf! Maar toen begreep ik: niemand is zichzelf. Iedereen is voortdurend bezig zichzelf vorm te geven. Je staat voortdurend onder druk van culturele modellen van anderen die met hun krachten op je inwerken, die eisen stellen, iets van je verwachten. Mensen gaan dingen beweren omdat anderen ze beweren. Onder een laagje braafheid zijn ze in feite a-moreel. Ze verloochenen hun eigen mening of raken die kwijt omdat ze denken: ik hoor bij die groep en moet dus de mening hebben van die groep. Je moet juist zien authentiek te blijven. In dat krachtenveld moet je jezelf op de een of andere manier vorm geven, jezelf blijven. Anders word je een kloon.”

Mislukkelingen

“Dat proces waarin iedereen zich voortdurend vorm geeft, dat beschrijf ik. Ik wil hun innerlijke roerselen in woorden vangen. De mens is een raadsel. Het bestaan is een raadsel. Dat moet je omcirkelen, daar moet je omheen draaien om het van alle kanten te benaderen om te achterhalen waarom alles functioneert zoals het functioneert. Niet de handelingen interesseren me, maar de krachten erachter. Daarom zijn mijn hoofdpersonen gecompliceerd, daarom schrijf ik niet over hun handelingen maar over wat er achter schuilt gaat. Wat me het meest interesseert zijn de mensen die op het randje zitten, die bedreigingen proberen te bezweren, die hindernissen proberen te overwinnen. Afwijkende mensen ook, mislukkelingen. Dat soort mensen kies ik als schrijver om te laten zien hoe de dingen werken. De meeste schrijvers geven handelingen, daden en dialogen weer: dat is de buitenkant. Ik wil trachten alle wervelingen, alle nuances te beschrijven van hun gevoelswereld. De innerlijke chaos. Daarom moet ik schrijven in complexe zinnen, want alles moet beschreven worden. Tot in detail. Vandaar de tangconstructies, nevenschikkende en onderschikkende zinnen, streepjes, haakjes, komma’s.”

Hoe houd je moed, met zo’n donker wereldbeeld?

“Ik ben nogal depressief. Ik heb geen illusies. Als het om mijn mening gaat, weiger ik me aan te passen. Een waarheidssadist noemt Odilia me wel. Je moet illusieloos kijken. Daarná kun je illusies hebben, of meningen of wat dan ook, maar éérst: feiten, feiten, feiten. Je leert in het leven onderscheiden: dat kan ik tegen die en die zeggen, dit kunnen ze hebben, dat niet. Bij sommige mensen kun je jezelf zijn. Met de rest blijft het contact oppervlakkig. Als iemand aan je vraagt hoe het gaat, zeg je: ‘Goed!’ Of, grappend: ‘Belazerd, joh!’ Toch, ik ervaar ook geluk. Liefde is geluk. Of, wat heel zelden voorkomt, als ik een paar goede bladzijden geschreven heb. Als ik geluk voel, is het heelal zichtbaar. Dan reiken mijn zintuigen tot de sterren.”

Hoe heb je je eerste vrouw leren kennen?

“Ik was op een feest. Zij ook. Ik stond wat tegen haar aan te lullen. ‘Je bent dronken’, zei ze. Ik antwoordde: ‘Ben je besodemieterd!’ Waarop Jacomine zei: ‘Als je dat ontkent, wil ik niets meer met je te maken hebben. Het was niet het enige wat meespeelde, maar een week later besloot ik de drank te laten staan. Na die opmerking heb ik haar een jaar niet gezien. Wel schreven we elkaar regelmatig brieven. Wel tien vellen lang. Eens in de zoveel tijd kwamen we elkaar weer tegen en laaide er iets op. Jaar in, jaar uit. Tot ik op een goed moment dacht: dit is onontkoombaar. Ik heb haar toen een briefje geschreven: ‘Jij bent mijn grote liefde en daar zal ik voor vechten!’ Een paar dagen later was het uit met de dierenarts waar ze op dat moment iets mee had. We zijn getrouwd, we krijgen een dochter: geweldig. Met Jacomine deelde ik karakter, ziel, geest, levensdoelen. Ze was mooi, maar door dat uiterlijk heen kwam intelligentie en daarmee kennis, begrip, verstand. Ik kon bij haar helemaal mezelf zijn. Ik hoefde niet op mijn hurken te gaan zitten of mijzelf verschrikkelijk te vertalen om begrepen te worden. Dat was allemaal niet nodig.”

Hiroshima

“Ze was 53 toen ze plotseling overleed. Aan onontdekte leukemie. Ik stond met een kopje thee in de deuropening en voelde het direct: ze was dood. Hiroshima, noemde ik die gebeurtenis altijd. Ik dacht: nooit kom ik meer iemand tegen van hetzelfde kaliber. Nooit zal een vrouw me meer zó raken. Ik dacht: de rest van mijn leven breng ik kalm doorschrijvend door, in een soort woestijn. Ik keek ook niet om me heen. Ik was nergens op bedacht.”

Kijk eens aan. Daar zit ze.

“Odilia. Ja, ik heb geluk gehad in mijn leven. We ontmoetten elkaar voor het eerst toen mijn vrouw nog leefde en ook Odilia getrouwd was. Bijna zes jaar na het overlijden van Jacomine – Odilia was intussen gescheiden - raakten we bij gemeenschappelijke vrienden in gesprek over muziek. Ik zei iets over Wagner. En ze begreep het! Wij konden over alle mogelijke dingen doorpraten. Ik dacht steeds: wat is ze lief!”

Verliefd

“Kort daarna begon ik verschrikkelijk te trillen. Ik viel af. Ik had een bloeddruk van 250. De dokter constateerde een schildklieraandoening. Dat was zo, maar ik weet zeker dat het kwam door Odilia. Opeens kwam er weer een Vrouw in mijn leven. Dat raakte me vol. Dáár ging ik van trillen. Ik was verliefd! In veertien dagen tijd viel ik veertien kilo af. Ze schrok ervan, op ons eerste afspraakje. Die schildklieraandoening is vanzelf weer over gegaan.”

Wat betekenen vrouwen voor je?

“Schoonheid. Elegantie. Erotiek. Emotie. Het is maar een eenzaam heelal, alleen met mannen. Ik stel een vrouwelijke aanwezigheid zeer op prijs. Ik kan ongelooflijk vasthoudend en koppig zijn, die enkele keer dat ik iemand tegenkom die ik het waard vind. Met Odilia heb ik een half jaar lange brieven geschreven. Over wat we meemaakten, wat we gelezen hadden, wat we ervan vonden. Redelijk speelse briefjes. Ik reed speciaal naar haar huis om ze in de bus te gooien – dan kreeg ik eerder antwoord. Ik belde op: ‘je moet snel terugschrijven, anders hou ik het niet uit!’ Heel romantisch.”

Wessel te Gussinklo (1941, Utrecht) studeerde psychologie en schreef als 22-jarige zijn eerste roman: De expeditie. In 1986 verscheen De verboden tuin, bekroond met de tweejaarlijkse Anton Wachterprijs en een debutantenbeurs van het Fonds voor de Letteren. In 1995 volgde De Opdracht (C.W. van der Hoogtprijs, Bordewijkprijs, ECI-prijs, nominaties voor de Gouden Uil en de Libris Literatuur Prijs). De novelle Het Engeltje, een jaar later uitgebracht, kwam op de longlist voor een Gouden Uil, net als zijn essay Palestina als adderkluwen. Tussendoor verscheen nog de verhalenbundel Heimwee naar de DDR. Zijn laatste roman is Zeer helder licht (2014), genomineerd voor de AKO Literatuurprijs. In 2015 verscheen Wij zullen aan God gelijk zijn, een cultuurfilosofisch essay, in 2016 de essaybundel Vijf sterren voor de gaarkeuken.

Te Gussinklo woont sinds 2007 in Kamperland met zijn vrouw Odilia.