Volledig scherm
© Stefaan van den Bremt

Zeeuwse schrijvers 143: Stefaan van den Bremt (2)

Mario Molegraaf schrijft wekelijks een kort portret van een Zeeuwse schrijver. Zeeuws qua persoon en/of qua inhoud. Deze keer aflevering 143 – voor de tweede keer: Stefaan van den Bremt.

Stefaan van den Bremt, de Vlaamse dichter die sinds 2011 te Koudekerke woont, maakte verre reizen, maar zijn verhalen komen toch vooral van dichtbij. Om te beginnen uit de plaats waar hij in 1941 werd geboren, Aalst, gelegen tussen Gent en Brussel, vlakbij stroomt de Schelde. Heel lang woonde hij in Vorst, onderdeel van Brussel, zelfs publiceerde hij een bundel Lente in Vorst. En vervolgens dus Zeeland, ‘land van aankomst’ noemde hij het in een recent gedicht uit Krabbegang (2016), een bloemlezing uit eigen werk.

Het gedicht staat trouwens in een afdeling ‘Nog ongebundeld’, wat je mag opvatten als nog even geduld. De dichter meldt me: ‘In portefeuille heb ik intussen nog twee bundels’. Een bundel Schaduw lezen, met een cyclus van zeven gedichten ‘De overzijde’, waarmee de overkant van de Westerschelde is bedoeld. Plus een bundel In zee, met korte gedichten geschreven naar aanleiding van schilderijen van zijn vrouw. Hij gaf er al een voorproefje van, wandelen langs de Walcherse kust: ‘Ik struin het strand/ af, ik loop schuin./ Ik leef op strand/ of in het duin.’ Zeer Zeeuwse zinnen maar zonder plaatsnaam erbij, altijd jammer voor wie naar literaire locaties zoekt.

De plaatsnamen ontbreken ook in ‘Postscriptum’ uit Blauw slik (2013): ‘Een boek van stuifwater en schuim’. Maar in dezelfde bundel neemt hij ons mee naar een bepaalde Zeeuwse hoek, naar Dishoek: ‘Hier word ik woordeloos, een oor, een schelp/ met daarin niets dan leegte.’ Maar het veelzeggendst blijft ‘Land van aankomst’, geflankeerd door ‘Land van herkomst’. Vanuit zijn nieuwe thuis, ‘Zeeland van de sluikhandel/ Tussen getij en maan en zon’, gaat zijn blik naar het oude: ‘Bij helder weer kan ik het zien/ ginds waar turbines en hijskranen/ om wind en om containers vragen.’ Bij donker weer voelt hij ‘een opgekropt verdriet’.

Waar hoort hij het meeste thuis? Laten we in ieder geval instemmen met dichter en bespreker Piet Gerbrandy die in 1998 een mooi stuk over Van den Bremt besloot met de oproep: ‘Poëzielezers aller Nederlanden, verenigt u en sluit deze Vlaming in uw hart!’

blogs