Willem van Dam.
Volledig scherm
PREMIUM
Willem van Dam. © Joost Hoving

Er zullen altijd lieden zijn bij wie ik beslist niet zal aankloppen

Ik lees: ‘De Koninklijke Marechaussee heeft (…) vijf Sudanese vluchtelingen uit een vrachtwagen in de haven van Vlissingen gehaald. De mannen, vier minderjarig, waren in België in de wagen gekropen met als doel in Engeland te komen.’

  1. Als we maar lief zijn voor elkaar
    PREMIUM
    Column Willem van Dam

    Als we maar lief zijn voor elkaar

    ,,We zijn het meest bijzondere land van de wereld’’, zei Markie. En: ,,We zijn een lief en gaaf landje.’’ Oh zeker, knikte Markie, onze maatschappij is weliswaar ontwricht door corona, er is sprake van een toegenomen onverdraagzaamheid en het geloof van de burger in de politiek is bijna tot een nulpunt gedaald, maar toch: het komt allemaal goed. Daar is Markie honderd, nee tweehonderd, wat zegt-ie, zelfs driehonderd procent zeker van. Mits we een beetje lief zijn voor elkaar.
  1. ‘Het is niet zo erg dat ze er zijn, maar dat ze het doen!’
    PREMIUM
    Column Willem van Dam

    ‘Het is niet zo erg dat ze er zijn, maar dat ze het doen!’

    Ze stonden met welgevulde boodschappenmandjes bij de kassa. Twee vrouwen van middelbare leeftijd. De een: een kleine dikkerd met een uitgezakt permanentje. De ander: een struise blondine met van die neerhangende mondhoeken die op een voortdurend misnoegen duidden. Over de preek van de voorbije zondag spraken zij. Die was over verdraagzaamheid gegaan, en over homoseksualiteit; dat homoseksuelen ook mensen zijn, en dat die net als ieder ander behandeld moeten worden. Zoiets had de dominee gezegd.
  2. Zonder vis thuiskomen, dát was onze eer toch zeker te na?
    PREMIUM
    column Willem van Dam

    Zonder vis thuiskomen, dát was onze eer toch zeker te na?

    Ach, kijk nou toch eens, wat leuk! Terwijl ik trachtte enig orde te scheppen in de dozen waarop ik ooit met viltstift ‘Familiearchief’ had gekalkt, kwam de foto tevoorschijn. Er staat een ventje van een jaar of zes op, blond, blauwe kaplaarzen, kniestukken op z’n broek, gele jas en een triomfantelijke grijns. Groos houdt hij een hengeltje omhoog waaraan een makreel bungelt - een gerookte makreel, die we samen bij de visboer hadden gekocht na een middagje vruchteloos hengelen in het kanaal naar het Goese Sas.

Columns