Volledig scherm
Alexander Pechtold. foto GPD

Van Randwijklezing 2009: Een land op drift

Over democratie, integratie, en de mythe van de nationale identiteit

Zeer vereerd ben ik met deze uitnodiging. Ik mag aansluiten in een rijke traditie. Van der Stoel, Vonhoff, Cohen, Van Thijn zijn me al voor gegaan.

Mijn eerste reactie was echter: kan ik me ter voorbereiding niet voor een week of twee terugtrekken in de bibliotheek? Dan kan ik meteen al die mooie en leerzame boeken lezen die al zo lang op mijn lijstje staan. Maar dat kan nu dus even niet.

Zo erg is dat misschien ook niet. U nodigt mij uit voor wie ik nu ben, niet voor de kamergeleerde die ik ooit nog hoop te worden.

Overigens ben ik er van overtuigd dat te veel geleerdheid in de studiekamers blijft hangen, maar dat risico is bij mij beperkt.

In mijn huidige levensfase sta ik midden in het politieke strijdgewoel. Mijn kennis doe ik op in contacten en confrontaties met andere politici, burgers, journalisten. Daar moet ik het mee doen. En – zeg ik met enige schroom – daar moet u het op dit moment dus ook mee doen.

Voor deze dag heb ik wel een aantal geschriften van Van Randwijk gelezen. Sommige van die uitgaven hadden al een plaatsje verworven in mijn privé antiquariaat. Dat bedoel ik niet geringschattend.

Als voormalige veilingmeester weet ik oude boeken op waarde te schatten. Een vak apart. Overigens heb ik daar in het begin van mijn loopbaan als werkstudent weinig van opgestoken. Op waarde schatten was toen nog niet nodig. Veel boeken werden geveild per kuub of per kilo.

Het oeuvre Van Randwijk is rijk geschakeerd. Zijn leven was dat evenzeer. Hij was niet alleen verzetsman, bladenmaker en dichter, maar ook romanschrijver en levensgenieter.

Wat hem vooral zo bijzonder maakte, was dat hij nooit bang was om stelling te nemen. In het conflict rond Nieuw Guinea wist hij feilloos aan welke kant hij moest staan. En dat was dus niet de kant van Nederland. Ja, hij was niet alleen goed tijdens de oorlog, maar ook na de oorlog. Ook in die zin is hij een inspirerend voorbeeld.

In onze tijd maken veel mensen er een sport om te zeggen wat ze denken. Dat wordt echter al gauw: hardop zeggen wat veel mensen toch al denken. Dat is niet hetzelfde als standpunten betrekken waarvan je weet dat die tegen de hoofdstroom ingaan. Van Randwijk durfde dat wel.

Vandaag neem ik de vrijheid om een aantal gedachten met u te delen. Waaronder misschien een paar controversiële. Niet om te provoceren.

Maar om een aanzet te geven tot het pragmatisch idealisme waar we in deze tijd naar mijn gevoel behoefte aan hebben.

Idealisme en pragmatisme zijn voor mij geen uitersten, maar onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Nergens is dat zo duidelijk als in de internationale politiek. Dit is hét terrein van de idealen. Die reserveren we immers niet voor onze eigen wijk of land. Nee, die koppelen we het liefst aan de wereld. Vrijheid en democratie, mensenrechten: dat gunnen we iedereen.

Aan de andere kant worden we ook steeds weer overvallen door gevoelens van machteloosheid en frustratie. Als blijkt dat mondiale ontwikkelingen niet te sturen zijn.

En dat het al helemaal niet eenvoudig is om ontwikkelingen in andere landen naar de hand te zetten.

In het tijdperk van Bush junior overheerste nog een ‘can do’ mentaliteit in de Amerikaanse buitenlandse politiek. De aanslag op de Twin Towers triggerde een haast tomeloze dadendrang. Bush junior cum suis zette ook volop militaire middelen in om hun missionaire doelstelling van een vrije wereld te realiseren. Bijvoorkeur met steun van de wereldgemeenschap. Maar was die er niet, dan op eigen gezag.

Hoewel niet geheel in lijn met zijn campagne slogan – ‘Yes, we can’ – is onder president Obama de kentering ingezet naar een meer pragmatische politiek.

Er is weer oog voor de begrenzingen van de macht.

Er wordt weer geluisterd binnen het bondgenootschap. Rusland wordt niet langer nog alleen als tegenpool gezien.

Er wordt weer gekeken waar belangen parallel lopen.

Er wordt gezocht naar werkbare compromissen. Zoals over het omstreden raketschild en de aanpak van Iran.

Moeten we gaan praten met de gematigde krachten binnen de Taliban?

Blijven we contacten met Hamas uit de weg gaan?

De meningen lopen uiteen, maar de vragen worden tenminste weer gesteld.

Natuurlijk toetsen we onze beslissingen in de buitenlandse politiek aan onze beginselen en idealen.

Maar de opgave is om dat op een realistische en pragmatische wijze te doen.

Engagement waarin realiteitszin ontbreekt, pakt steevast verkeerd uit als het om mensenrechten en democratie gaat.

Je mag je zelfs afvragen of je dan nog wel over waarachtig engagement mag spreken.

Van idealen is het via engagement nog maar een kleine stap naar moralisme.

En moralisme is een slechte raadgever in de internationale politiek.

Zeker als moralisme gecombineerd wordt met schipperen.

Dan wordt het een huwelijk van gevoel en onvermogen, en dus gedoemd tot mislukken.

Zie de aanloop van de oorlog tegen Irak.

De besluitvorming over de Nederlandse rol was onduidelijk – en is nog steeds niet opgehelderd. En was bovendien overgoten met een vanzelfsprekend moralistisch gelijk. Daardoor werd de discussie over de effectiviteit van de oorlog nodeloos belast.

De goede bedoelingen stonden voorop.

“Een politiek van de goede bedoelingen maakt vaak echter meer slachtoffers dan er worden geholpen”, zegt Hans Achterhuis. Hij is niet de enige die daar op wijst. Het is kennelijk een waarheid die steeds opnieuw ontdekt moet worden.

Het Srebrenica-drama is hier ook een schrijnende illustratie van. Wat hebben we daar eigenlijk van geleerd?

Schipperen doen we ook als dat zo uitkomt.

Op de internationale fora mogen we graag pleiten voor versterking van de internationale rechtsorde.

Maar tot driemaal toe heeft Nederland in de achterliggende tien jaar steun gegeven aan oorlogen die geen uitdrukkelijk mandaat hadden van de Veiligheidsraad.

En als een met ons bevriende natie in het Midden Oosten het handvest van de VN schendt, zeggen we dat ook niet hardop.

Ongemakkelijke vragen gaan we liever uit de weg. Waarom?

Als in een smalle landstrook als Gaza veel mensen het gevoel hebben dat zij nog slechts de keuze hebben tussen lijden in stilte of sterven met veel kabaal,

kunnen we dan de vraag stellen waar dat gevoel vandaan komt?

Of laden we dan de verdenking op ons dat we begrip hebben voor terreur?

Het is mooi dat onder de nieuwe Amerikaanse regering ruimte ontstaat om lastige vragen op te werpen.

Maar we hoeven toch niet altijd te wachten tot we de ruimte krijgen om heikele kwesties aan te kaarten?

Ja, het vereist moed om als eerste de vraag te stellen waar tot dan toe nog alleen over gefluisterd wordt.

Wat weerhoudt ons daarvan? Een ding staat buiten kijf:

die moed hebben we nodig als we de verbinding tussen idealisme en pragmatisme tot stand willen brengen.

Pragmatisch idealisme zie ik ook graag terug in onze binnenlandse politiek.

Vooral op het terrein van het integratiebeleid, waar de balans is verstoord tussen wat we willen bereiken en wat we daarvoor doen.

Ik doel niet op de evident problematische kant van de integratie.

Spanningen in oude wijken, overlast en criminaliteit, beknotting van vrijheden, discriminatie, schooluitval, ontspoorde jongeren en ouders, die niet weten hoe hun betrokkenheid te tonen.

Het spreekt voor zich dat die problemen moeten worden aangepakt.

En dat we daar alle mogelijke middelen voor inzetten.

Jeugdbeleid, antidiscriminatiebeleid, onderwijs, stadsvernieuwing maar ook het veiligheidsbeleid: ze zijn stuk voor stuk hard nodig.

De regels en beginselen van de rechtstaat gelden voor iedereen – ongeacht etnische, religieuze of culturele achtergrond. En iedereen zal zich dus daar aan moeten houden.

In geval van overlast in trams, in wijken of geweld tegen ambulancebroeders, vrouwen en homo’s, en ook bij een vermeende terreuraanslag, wil ik niets horen over eventuele cultuurverschillen.

Ik wil alleen horen hoe politie en justitie dat gaan aanpakken.

Maar deze benadering gaat velen niet ver genoeg. Zij willen daar bovenop een voortvarend en ambitieus integratiebeleid. Met als resultaat?

Dat drang en dwang dominante kenmerken zijn geworden van het Nederlandse integratiedebat.

Dat drang wordt uitgeoefend richting nieuwkomers om zich zo snel mogelijk aan te passen .

Dat dwang wordt gebruikt als dit niet snel genoeg lukt. Dat het zakken voor het inburgeringexamen wordt bestraft met boetes en verblijfsrechtelijke sancties.

Deze kloeke aanpak is de finale afrekening met het softe multiculturalisme van voordien.

Maar is het ook effectiever?

Zeker is dat het beleid heeft geleid tot hoogoplaaiende emoties,

frustraties aan beide kanten en grote en kleine crises, tot en met het aftreden van een minister.

Maar de vraag was, of het ook effectiever is?

De achterliggende gedachte is dat we integratie kunnen forceren en sturen.

Maar dat is een misverstand. Dat kunnen we niet.

We focussen op aanpassen en aanleren, terwijl integratie eerst en vooral een proces van emancipatie is. Van het ontwikkelen van burgerschap, eigen identiteit, zelfbewustheid.

Voor dat actieve burgerschap kun je als samenleving voorwaarden scheppen, je kunt het niet afdwingen of opleggen.

Emancipatie van nieuwkomers is een autonoom proces.

De Verenigde Staten, het klassieke immigratieland bij uitstek, is hiervan het duidelijkste voorbeeld.

Eeuwenlang heeft het land de ene na de andere generatie nieuwkomers opgenomen zonder noemenswaardige overheidsinterventie. Als de strenge toelatingsprocedure eenmaal is doorlopen, bemoeit de overheid zich niet meer met hen. Dat doet de arbeidsmarkt wel.

Ze zijn ook zeer welkom. De burgemeester van New York – en dat is op dit moment geen democraat - noemt migranten het ‘levenssap’ van de stad en hun bijdrage van ‘onschatbare waarde’.

Ik citeer: ‘Je moet in de pot blijven roeren en nieuwe ingrediënten toevoegen om concurrerend te blijven als stad.’

Immigratie als oplossing en nu eens niet als probleem. Dat kan dus ook.

Alleen niet in Nederland.

Al doet ook hier de tweede generatie nieuwkomers het aanzienlijk beter dan de eerste.

De deelname aan het hoger onderwijs stijgt spectaculair.

Er komt een allochtone middenklasse, die de grote steden in het voetspoor van de autochtone middenklasse, verlaat.

Die steeds vaker lid wordt van clubs en organisaties, de Nederlandse media volgt, en hoge opkomstcijfers laat zien bij verkiezingen. En die zich zelfs aansluit bij partijen die aan de wieg van het homohuwelijk en euthanasie hebben gestaan.

Het heeft even geduurd, maar het gebeurt nu vanzelf en is niet geforceerd.

Allochtonen, die zich laten horen en zien in debat en meningsvorming over allerhande zaken. Die – kortom - participeren in de samenleving en zich daarbij betrokken voelen.

En toch is, volgens onderzoek, vooral bij jongeren van Turkse en Marokkaanse afkomst,

geloof in de eigen toekomst, geloof in de eigen kansen afgenomen.

En dat terwijl hun opleidingsniveau fors is gestegen!

Het kan niet anders of de tobberige en hysterische toon waarop in Nederland nu al jarenlang over immigratie en integratie wordt gesproken is hieraan mede schuldig.

De vergelijking met Amerika valt hier in ons nadeel uit.

Tolerantie is in Nederland een beladen begrip geworden.

Voor sommige politici is het niet langer een cultuurgoed, maar een uitweg.

Handhaven en confronteren. En als dat niet lukt, ja, dan zit er niets anders op.

Dan maar tolereren.

Generaliseren en denigreren zijn aan de orde van de dag.

Of krenken al dan niet mag, dat zou ik even moeten nakijken. Ik weet niet wat de huidige stand van de discussie is.

Nieuwkomers voelen zich allesbehalve welkom. Hele bevolkingsgroepen krijgen het gevoel dat zij in de hoek worden gezet.

Radicale elementen voelen zich daar prima bij en grijpen hun kans,

maar de gematigde krachten worden in een ongemakkelijke positie gemanoeuvreerd.

Allerlei maatschappelijke ontwikkelingen waarmee migranten te maken krijgen,

worden verengd tot een integratieprobleem, tot verschillen in etnisch- culturele achtergrond. Op deze manier wordt een ‘meerderheidscultuur’ geschapen.

De ideeën van afwijkende minderheden zien we als exotisch en problematisch.

En zo wordt het omgekeerde bereikt van wat we met integratie beogen.

Ik beweer niet dat het beleid geen enkel effect heeft gesorteerd. Het effect is groot.

Maar het is een averechts effect.

De wederzijdse beeldvorming is negatiever geworden.

Is dat gebeurd ondanks of dankzij bemoeienis van de overheid?

Ik ben steeds meer overtuigd van het laatste.

Bovendien zijn archaïsche begrippen als ‘nationale identiteit’ en ‘patriottisme’ weer terug in het politieke vocabulaire.

Een passende reactie had kunnen zijn:

‘dames en heren, daar hebben we nu eigenlijk even geen tijd voor.

We moeten nu een antwoord zoeken op de vragen die op ons afkomen

door de individualisering, de globalisering, de economische crisis en de teloorgang van traditionele verbanden.’

Maar wat blijkt? Dat is het antwoord.

Die nog nader te formuleren identiteit ís het antwoord op de individualisering, de versplintering, de globalisering.

Via begrippen als nationale identiteit, patriottisme

en de daarmee gepaard gaande beschavingsoffensieven

is men op zoek naar nieuwe nationale cohesie.

Hoe hevig de passie daarvoor is, bleek toen een nieuwkomer in de Nederlandse monarchie zich liet ontvallen dat de Nederlandse identiteit niet bestaat.

Nog niet zo lang geleden zou die opmerking beleefd worden aangehoord.

Nu werd die als een affront ervaren.

‘Echt heel erg dat Maxima dat heeft gezegd,’ klonk het ook in progressieve kring.

Ik vind het helemaal niet erg wat de prinses heeft gezegd.

Ik vind het wel erg dat daar zo overspannen op gereageerd wordt.

‘Houd toch op,’ denk ik.

Hoe zei wijlen Jacques van Doorn het?

De nationale identiteit is ‘een constructie die willekeur insluit en politieke manipulatie uitlokt’.

Wat is er gebeurd dat we ons zelf in zulke constructies verliezen?

Nu kun je tegenwerpen dat we intussen wel open en direct met elkaar omgaan in Nederland. Maar getuigt de mentaliteit van ‘zeggen wat je denkt’ van democratisch besef?

Laat ik dit voorop stellen. De vrijheid van meningsuiting is géén vrijbrief om anderen te kwetsen of in vrijheid te beperken, zelfs als de wet dat niet verbiedt.

Waarom zouden we niet behoedzaam en met fatsoen praten over alles wat met rassen, huidskleur en religie te maken heeft?

Niet de vrijheid van meningsuiting staat hier op het spel, maar de beschaving.

Zouden we niet beter de vrijheid van meningsuiting redden uit de handen van degenen die haar misbruiken!

Het rekening houden met de ander kun je een vrijwillige vrijheidsbeperking noemen.

Je kunt het ook zien als een houding waarmee je richting geeft aan de vrijheid.

Het gaat immers niet om je uitleven, maar om je vrijheid verantwoordelijk te gebruiken.

Dat betekent dus ook af en toe inschikken.

Maar de bereidheid dat te doen, neemt af. Met een verdere verloedering van de democratie als resultaat.

Dat levert in combinatie met een ontsporend integratiedebat een explosief en giftig mengsel op.

De vraag rijst hoe het zo ver heeft kunnen komen.

Nederland was toch nog niet zo lang geleden een toonbeeld van tolerantie en democratie? Was dat echt zo? Of is hier sprake van iets te flatteuze beeldvorming?

Als ik me niet vergis, is die beeldvorming vooral vanaf het midden van de jaren ‘60 sterk aangewakkerd. Als Nederland ooit vrijzinnig en tolerant was, dan was zij dat in die tijd.

Ook in de jaren ‘70 en ‘80 was de betrokkenheid bij de politiek groot en het publieke debat levendig. Ludieke acties waren schering en inslag.

Nog tot halverwege 2002 werden die met een zekere regelmaat gevoerd.

Een foto uit die tijd stond onlangs opnieuw in de krant.

Die was kennelijk uit het archief van de fotoredactie gevallen.

We zien de moslimgeestelijke Abdullah Haselhoef.

Lachend laat hij zich onderzoeken door de hoofdredacteur van de Gay Krant, Henk Krol, die zich voor de gelegenheid als arts heeft uitgedost, compleet met stethoscoop.

De omstanders kijken geamuseerd toe.

Het onderschrift luidt nu: ‘Er kon toen nog gelachen worden over culturele verschillen.’

Dat vermogen hebben we dus verloren.

Er wordt nu met scherp geschoten.

Op een man als Taric Ramadan bijvoorbeeld. Een moslim én een filosoof.

Een wolf in schaapskleren zou hij zijn. En wat doe je als je een wolf signaleert? Je jaagt hem weg.

Terwijl Haselhoef slechts de nieuwsgierige blikken van omstanders moest ondergaan,

moet Ramadan verbale agressie trotseren.

Hoe kon de sfeer in ‘ons land’ zo snel omslaan?

‘Dat begrijp je toch wel,’ zullen sommigen zeggen. ‘Na alles wat er is gebeurd! Er zijn twee politiek geïnspireerde moorden gepleegd. Nog veel meer mensen zijn met de dood bedreigd. Logisch dat het klimaat is omgeslagen.’

Maar is dat de reden dat we ironie, zelfspot en relativeringsvermogen zijn kwijt geraakt?

Of is er meer aan de hand? Daar heeft het alle schijn van.

We moeten terug in onze geschiedenis voor de verklaring.

Zelf heb ik de overtuiging dat ons land van oudsher niet zo tolerant en vrijzinnig is als we elkaar wijsmaken.

Ik waag te betwijfelen of tolerantie in onze genen zit.

Nederland is immers ook het land van de godsdiensttwisten.

Het land waar de vraag of de slang al dan niet tegen Eva gesproken heeft, de gemoederen hevig wist te beroeren.

Het land ook van de verzuiling.

Tot midden jaren zestig speelde het politieke leven zich voor een belangrijk deel af binnen de eigen zuil, de katholieke, protestants- christelijke of socialistische zuil.

De parlementaire democratie had bevoogdende en autoritaire trekken.

Ik weet niet precies hoe het moet zijn geweest om in die tijd op te groeien.

Het leven zal zeker ook zijn aantrekkelijke kanten hebben gehad.

Ik weet wel dat toen de zuilen leegliepen en de pacificerende werking van het stelsel navenant afnam, er minder fraaie trekjes aan het licht traden.

De elites praatten met elkaar en deden zaken. We leken een tolerant land, waar vele groepen vreedzaam naast elkaar konden leven.

Maar de mensen uit die verschillende groepen kwamen elkaar nauwelijks tegen. Die gingen niet met elkaar om.

Hoezo tolerant en verdraagzaam?

En hoe democratisch was de verzuilde samenleving nu eigenlijk?

Ik wil daar nu eens niet al te moeilijk over doen.

Zeker, het stelsel had regenteske vormen, maar die bleven binnen de grenzen van het aanvaardbare. Het samenlevingsmodel mag worden opgevat als een bijna ideaal binnenwerk voor een democratie. De sociale cohesie was verzekerd, de maatschappelijke verhoudingen waren stabiel en de politieke partij was dé schakel tussen burger en overheid.

Ons democratisch tekort werd pas onaanvaardbaar groot nadat de regenten verjaagd werden….

Want tegelijk met de regenten, verloren de politieke partijen hun rol als bindmiddel. Die partijen worden sindsdien geconfronteerd met leegloop en een zwevend electoraat.

Toch voelen zij er niet voor om meer directe verbindingen te maken tussen kiezers en regering en parlement. Dat zou hun rol nog meer uithollen, vrezen ze.

En daarom zitten we tot op de dag van vandaag met een politiek stelsel dat in democratisch opzicht ver achter blijft bij wat doorgaans onder een westerse democratie verstaan wordt.

Een stelsel waarin de ‘trias politica’ van Montesquieu nauwelijks is terug te vinden. De scheiding der machten is niet verankerd in ons politieke systeem, laat staan in ons politieke bewustzijn.

In de Verenigde Staten is dat wel gebeurd. En dat levert vaak een spontane betrokkenheid van de burgers op bij hún democratie. De Amerikaanse kiezers kiezen niet alleen een nieuwe president, zij kiezen ook voor een nieuw Congres, een nieuwe Senaat, nieuwe rechters en - op lokaal niveau – een nieuwe sheriff. Iedere macht heeft zijn eigen heldere legitimatie en die ligt bij de burgers zelf.

Vergelijk dat eens met de gang van zaken in ons land!

Wij brengen één keer in de vier jaar een stem uit voor het Parlement.

En daaruit vloeit dan alle macht voort: wetgevende – bestuurlijke en de rechtsprekende, waar het de benoeming van de rechters betreft.

In één stem moet de burger tot uitdrukking brengen wat zijn gevoelens zijn over alle soorten wetgeving, alle bestuursbelangen en de wensen voor rechters.

Machtsvorming en machtsuitoefening zijn in wezen juist processen die je goed uit elkaar moet houden. Maar in Nederland lopen al die fases kris kras door elkaar.

We kiezen in Nederland voor de wetgevende macht, maar de campagne die eraan vooraf gaat, gaat uitsluitend over de bestuurlijke macht. Sterker nog: over de vraag wie er Minister-president mag worden. Formeel niet natuurlijk. Formeel kiezen we gewoon het parlement. Maar de belangstelling van de kiezer wordt gewekt door hem aan te spreken op het machtsinstinct en op de wedstrijd. Wie wordt de grootste? Want die mag de premier leveren.

Misschien nog wel erger dan al deze institutionele zwaktes is de afbrokkeling van het besef dat de drie machten op veilige afstand van elkaar moeten blijven.

Vooral politici zijn geneigd buiten hun boekje te gaan. Die gaan zich dan bemoeien met de rechtspraak.

.

In de wet staat dat ‘haat zaaien’ verboden is. Of en wanneer daar sprake van is, daarover kun je van mening verschillen, maar het is aan de rechter om daar een uitspraak over te doen.

Het is het wezen van onze rechtspraak.

Maar zodra daarover een relletje ontstond, riepen sommige politici prompt dat ze desnoods de wet wel zullen aanpassen.

Dat kan altijd, maar laat dan wel eerst de rechter zijn werk doen.

Plaats willen nemen op de rechtersstoel,

en ook publieke uitingen van onvrede over een uitgesproken vonnis.

Het zijn verschijnselen in de politiek die afbreuk doen aan de onafhankelijkheid van de rechter.

En zetten daarmee de bijl aan de wortel van de rechtstaat.

Het besef dat de drie machten een zekere onafhankelijkheid genieten, was tijdens de laatste kabinetsformatie zelfs even helemaal weg.

De onderhandelaars gaven iets weg wat niet eens van hen is: het recht een parlementaire enquête uit te voeren naar de Nederlandse steun aan de oorlog tegen Irak.

Ze maakten er een afspraak over.

De afspraak dat parlementaire controle op een wezenlijk punt – waarheidsvinding over steun aan een aanvalsoorlog, het grondwettelijk recht van het parlement – achterwege moet blijven.

Hier manifesteerde zich een gebrek aan democratische moraal.

Pacta democratica non sunt servanda: over democratische rechten maak je geen politieke deals.

Er is maar één parlement dat daar genoegen mee neemt.

Het is overigens niet mijn bedoeling om in sombere bespiegelingen te blijven hangen.

Ik ben niet vergeten dat we ook een bevoorrecht land zijn.

Het fundament van de rechtstaat ligt er.

We hebben een sterke positie in de internationale economie.

De instituties van de verzorgingsstaat bieden opleiding, inkomensondersteuning, zorg en onderwijs. En we zijn ons zeer bewust dat al deze elementen van onze samenleving onderhouden moeten worden. Dat we steeds alle zeilen bij moeten zetten om de kwaliteit op orde te houden en te verbeteren.

Is het dan niet eigenaardig te constateren dat er naast deze daadkracht zo veel achterstallig onderhoud is in onze democratie en cultuur?

Beide bestaan bij de gratie van actieve burgers,

van mensen die mee willen doen, die serieus genomen willen worden,

die vragen durven stellen en antwoord willen krijgen,

die hun talenten en interesses willen uitbuiten.

Maar dat actieve burgerschap is niet vanzelfsprekend.

Mensen worden niet geboren met een scherpe pen en een blik op de wereld.

Ieder mensenkind wordt een levenlang al dan niet opgevoed, gevormd, geschoold en gestimuleerd.

En heel vaak nog stokt de ontwikkeling, haken mensen af, verdwijnt de interesse,

En verdampt de uitdaging.

Vooral veel lageropgeleiden keren zich af van de politiek.

Zij hebben er geen vertrouwen meer in dat hun noden en zorgen serieus worden genomen.

Ze voelen zich onbegrepen, in hun angst voor mondiale crises, Europese integratie en migratiestromen.

Populisten spelen daar behendig op in, blazen tegenstellingen aan,

en propageren het heil van een utopische nationale monocultuur.

Anderen staan aan de verleiding bloot om mee te deinen op de golven van dat populisme.

Dat is voor mij geen oplossing.

Ik besef dat de afgelopen jaren erg veel over democratie en de noodzaak van vernieuwing is gezegd en geschreven.

Ik ben me er van bewust dat mijn partij daar in hoge mate schuldig aan is.

Ik zie ook wel in dat alle voorstellen die de laatste veertig jaar zijn gedaan voor- en nadelen hadden.

En ik wil zelfs nog wel ruiterlijk erkennen dat diegenen die deze voorstellen afwezen,

niet per se mindere democraten waren dan degenen die ze omarmden.

Maar ik kan er geen begrip voor opbrengen als men de suggestie wekt dat we het denken over democratie dan maar op een laag pitje moeten zetten.

Denken over democratie is durven benoemen waar we vastlopen, waar ons gecompliceerde stelsel van legitimatie en besluitvorming verzandt en voor betrokken burgers een onherkenbare brij wordt van getrapte machtsvorming, anonieme volksvertegenwoordigers en zielloze compromissen.

Denken over democratie is denken over de schaal van onze huidige maatschappelijke problemen.

En over de vraag hoe zowel hoger als lager opgeleiden bij de oplossing kunnen worden betrokken.

Ik wil niet vooruitlopen op de uitkomst van nog te voeren debat. Ik heb er wel een vermoeden van.

Een haast onvermijdelijke conclusie zal zijn dat meer directe vormen van democratie zowel wenselijk als haalbaar zijn.

Want alleen op die manier worden politici en partijen gedwongen om rekening te houden met de stem van alle betrokkenen, of ze nu hoger of lager opgeleid zijn.

Wie durft te denken, mag ook kritiek verwachten en bezwaren tegen concrete voorstellen.

Dat is niet erg; dat moet.

Maar wat echt zorgen baart is het moedeloos stemmende machtsconservatisme dat geen enkele vernieuwing toestaat, omdat het zich daardoor per definitie bedreigd weet.

Sinds 1919 is elke wezenlijke aanpassing van ons democratisch erfgoed op vakkundige wijze door de nieuwe regenten van dienst geblokkeerd.

We naderen 100 jaar van stilstaande staatkunde.

Ik blijf mij daartegen verzetten, niet uit liefhebberij maar uit noodzaak.

Kiezers snakken naar politici, waarmee ze een persoonlijke band hebben,

naar een duidelijke keuze tussen een conservatieve en een progressieve partij,

naar een regering die het mandaat heeft om veranderingen door te voeren,

en naar een parlement dat tegenspel biedt.

Als ik nou zeg dat we aan deze verlangens tegemoet moeten komen, klinkt dat dan erg idealistisch? Misschien.

Maar als de Amerikaanse president zijn droom over een kernwapenvrije wereld met ons deelt, kunnen wij dan niet een moderne democratische samenleving vormgeven die de vergelijking met andere westerse democratieën kan doorstaan?

Ik ben pragmatisch genoeg om te denken dat dat kan.

Laten we ook praktisch te werk gaan als we het over integratie hebben.

Integratiepolitiek is met de beste bedoelingen gemaakt, zeker, maar het is allerminst effectief.

Zou het niet verstandig zijn deze politiek maar af te schaffen?

Die vraag rees ook bij een jonge, sociale wetenschapper, Willem Schinkel.

Hij vatte het zo samen:

“Al die hedendaagse zogenaamd ‘praktische’ begrippen, zoals de ‘cultuur van migranten’, hun ‘afstand tot de samenleving’, hun gebrekkige ‘integratie’, daar is slechts één ding ‘praktisch’ aan: in de praktijk reproduceren ze steeds weer een scheiding tussen ‘de samenleving’ en de ‘te integreren’ burgers.”

Dan zeg ik op mijn beurt: dat kan toch niet de bedoeling zijn?

Mijn doel is een samenleving die samenbindt in plaats van splijt.

Met ruimte voor andersluidende opvattingen, voor continue duiding, opinie en debat.

Daar hoort ook een sterk ontwikkelde culturele sector bij,

met alle instituties die daarin een rol spelen : kranten, omroepen, theaters, filmhuizen, bladen, toneelgezelschappen, uitgevers.

En al die instituties staan onder druk.

Ze staan onder druk door nieuwe informatiebehoeften.

Niet alleen omdat Internet net iets te gemakkelijk als alternatief wordt gezien,

maar ook omdat we ze teveel als franje van de samenleving zien.

Als het toefje, terwijl een actieve cultuur de taart van de moderne democratische samenleving kan zijn.

Zo bezien heeft Nederland opnieuw behoefte aan mensen als Van Randwijk.

Mensen die boeken schrijven en gedichten,

mensen die nieuwe bladen oprichten tegen de verdrukking in,

mensen die eigen meningen blijven verkondigen waarin idealisme samengaat met pragmatisme.

Maar we hebben ook behoefte aan een overheid, die niet alleen oog heeft voor de banken, voor de economie, de zorg en de sociale zekerheid, maar die ook een actief cultuurbeleid voert, waarin mensen als Van Randwijk kunnen gedijen.

Van Randwijk zette zich in voor een Vrij-Nederland.

Wat dat toen betekende was zonneklaar: bevrijd van de Duitse bezetter.

Dat vieren we vandaag.

Maar wat te doen om na de verdrijving van tirannie politiek gestalte te geven aan die herwonnen vrijheid was minder evident.

Dat bleek een moeilijke taak, die alleen door samenwerking tussen politieke tegenstanders volbracht kon worden.

Ook in onze tijd van crisis en drift moet de betekenis van een vrij Nederland opnieuw doordacht worden.

Vrijheid komt toe aan het individu, maar is geen louter privé zaak.

Vrijheid heeft gemeenschap nodig.

De vraag is alleen welk soort gemeenschap.

Gaat het om een eenheid van waarden en cultuur die vanouds geacht werd te bestaan.

En waarvan we denken, dat we die opnieuw kunnen afdwingen

door een nieuw nationaal bewustzijn met eigen canons en symbolen?

Of gaat het om een gemeenschap van mensen

die over waarden,

over het verleden en de toekomst,

heel verschillend mogen denken.

Maar tegelijkertijd beseffen dat ze in vrede, via politieke strijd met woorden,

hun lotsverbondenheid gestalte willen geven

Zodanig dat er voor iedereen een plaats is als vrije burger?

Ik kies voor dat laatste.

.-.-.-.