Volledig scherm

Herinneringen van een 14 jarige

Op ons verzoek hebben veel lezers van de PZC hun verhaal over de ramp van 1953 aan ons opgestuurd. In de aanloop naar de herdenking op 1 februari publiceren we elke dag enkele lezersbijdragen. Dit is de reactie van David Versluijs uit Kloetinge.


Als jongen die in de Nieuwediepstraat in het “oude” gedeelte van Terneuzen woont, heb
ik de watersnoodramp van 1953 bewust meegemaakt. Mijn herinneringen hieraan wil ik
onderstaand weergeven.

Zaterdagsmiddags, 31 januari, ga ik met mijn vader en moeder naar de Scheldekade. We zijn
niet de enigen. Bij weersomstandigheden als vandaag, stormachtige noordwesten wind en
giertij, is er altijd veel belangstelling van “kiekers”. Een strategisch punt is dan op de hoek
van de Scheldekade/Burgemeester Geillstraat “ bij Meijer”. Je staat daar beschut voor de
wind.

Schuimkoppen


Aan de ponton van de Provinciale Boot toornt een drijvende bok van Van den Akker, ingezet
bij het bergen van een in de Everingen gestrande zeeboot, hoog op het water.
Golven en schuimkoppen op de Westerschelde. Voor de liefhebber van de zee een prachtig
gezicht.


Het water staat dermate hoog, dat het plein voor het kantoor van de Provinciale
Stoombootdiensten, geheel blank staat en de ponton dus niet te bereiken is.
En dan te bedenken, dat het omstreeks die tijd, eigenlijk laagwater zou moeten zijn.
Dat belooft wel wat als het rond middernacht hoogwater wordt!

’s Avonds, zo tegen middernacht, wordt er aangebeld en op de voordeur geklopt. Er wordt
geroepen dat het “water komt”. Uiteraard komen we uit bed. Als we buiten op het trottoir
staan, stroomt het water snel door de straat en het zal dan ook niet lang meer duren of
het loopt door de voordeur naar binnen. Het water stroomt bij het postkantoor en bij het
vissershaventje de laaggelegen binnenstad in.

Breipriem


Actie is nu geboden! Mijn vader en ik leggen de in de woonkamer staande linnenkast plat op
de tafel. Stoelen en ander klein meubilair verhuist naar de zolder. Het zeil op de vloeren blijft
liggen. In het schuurtje zetten we de wasmachine op zijn kant, zodat de electromotor zich
zover mogelijk van de vloer bevindt.


Inmiddels stroomt dan het water het huis binnen. We gaan naar de zolder. Daar bivakkeren
we met zijn vieren: mijn vader en moeder, Opoe die bij ons inwoont en ik. De radio gaat
mee en een breipriem moet als antenne fungeren. In de loop van de dag blijkt dit een prima
hulpmiddel te zijn.


Onder aan de trap, die in de gang uitkomt, staat het water inmiddels tot een hoogte van een
70 cm. Toch maken we ons weinig zorgen hierom. In het verleden heeft er al meer water in
de straat gestaan. De Nieuwediepstraat is een van de laaggelegen straten in de binnenstad van
Terneuzen. Maar bij laagwater stroomde dit dan weer weg middels een bij het postkantoor
aanwezig riool. Nu dus maar afwachten.

Dat het in de late avond van de zaterdag al ontzettend stormt blijkt wel uit het volgende:
Tijdens de laatste reis die de boot maakt naar Hoedekenskerke, staat op het achterdek een
driewielig licht vrachtautootje, een Goliath. Op een gegeven moment ligt de driewieler
ondersteboven. Als de boot naderhand in Terneuzen weer afmeert staat het vehikel weer op
drie wielen.

Schroef


Getracht wordt om in Hoedekenskerke aan de ponton af te meren, maar dit mislukt. De
besnorde sympathieke wal-agent J. Leijs wordt door de van boord aangereikte draad het
water ingetrokken. Zijn beide benen worden door de schroef afgeslagen en hij verdrinkt.
De boot kan dus niet afstoppen op de ponton, verlagert en belandt over de havendam heen [!],
weer op de Westerschelde en keert onverrichterzake terug naar Terneuzen.

’s Morgens zetten we de radio aan en verwachten dan dat de overstroming van het oude
gedeelte van Terneuzen wel genoemd zal worden. Maar we horen onheilspellende berichten.
Dorpen en polders in Zuidwest Nederland zijn ondergelopen. Ook wordt melding gemaakt
van overstroming van de ten westen van Terneuzen gelegen Nieuw-Neuzenpolder en de
oostwaarts gelegen polders bij Othene (“Noten”) en Ossenisse.


In de Nieuw-Neuzenpolder verdrinkt een baby; later blijkt dit een dochtertje te zijn van Jan en
Jannetje Smallegange. Een vriendin van mijn moeder.


Boven op de zolder lijden we geen gebrek. We hebben eten en drinken. Het is overigens wel
erg koud! Een hilarisch aanblik is wel mijn vader: hij ligt op bed een sigaar te roken. Ik dood
de tijd met het leren voor een scheikunde repetitie die ik maandag krijg. Als we uit het dakraam kijken zien we naderhand roeiboten door de straat varen. Mensen die hun woning willen verlaten, worden met deze bootjes geëvacueerd.

Roeiboot


In de namiddag worden Opoe en ik opgehaald door Ome Jo in een roeiboot en worden we
afgeleverd aan het eind van de Vlooswijkstraat/Nieuwediepstraat, waar de brandweer water
wegpompt in het kanaal. Achteraf kan je wel om het volgende voorval lachen. Degene die ons
uit ons huis zal dragen is De Blaey van de groentehandel . Hij opent de voordeur, maar vlak
erachter bevindt zich de watermeterput. Het houten deksel dat deze put afdekt is gaan drijven.
DeBlaey doet een stap de gang in en gaat vervolgens tot aan zijn middel in de put het koude
water in.

We vinden een onderdak bij Ome Jo en Tante Marie in de Azaleastraat. In de loop van de
avond komen ook mijn vader en moeder hierheen.

Uiteraard is er maandag geen school en dus ook geen repetitie!
Als we in ons huis komen ligt er in de gang, voor- en achterkamer een laagje modder. Het zeil
wordt opgeraapt en schoongespoten en de benedenverdieping wordt gebezemd.
Het blijkt dat de schade meevalt. De haard in de voorkamer heeft in zijn geheel net in het
water gestaan. En wonder boven wonder heeft het water in het schuurtje net niet de motor van
de wasmachine bereikt.

Emmers


In de houten vloer in de voorkamer wordt een gat gekapt en ontelbare emmers water worden
vanonder de vloer geschept. De inhoud gaat via de gang naar de stoep achter.
De grond is door en door verzadigd met water en dus moet er regelmatig worden gehoosd.
Naderhand wordt de houten vloer verwijderd en wordt een betonnen vloer door aannemer
Simons aangebracht.

Gedupeerde bewoners kunnen de geleden schade opgeven aan het Rampenfonds. Hier wordt
door velen een gretig gebruik van gemaakt.
Maandag was vroeger de wasdag, dus veel mensen hadden hun was in de wasketels in hun
schuurtjes staan, om die maandag te wassen. Verscheidene mensen claimen een hoop verloren
wasgoed. Voor ons een raadsel: immers in de schuurtjes is geen waterstroming opgetreden
die de was heeft kunnen meevoeren. Noch bij het komen, noch bij het wegstromen van het
water.

Rampenfonds


Voor een verloren gegane stofzuiger staat een bedrag van f 135,-. Wat blijkt: mensen die
nooit zo’n apparaat bezaten, geven dit wel op als schade.
Dat bij het Rampenfonds het geld moest rollen, blijkt wel uit het feit, dat een
gemeenschapshuis in Sluiskil een orgel cadeau krijgt. Het dorp heeft nooit meer water gezien
dan in het Kanaal van Terneuzen naar Gent.
Niet verwonderlijk is dan de veel gehoorde doch wrange kreet:
Geef ons heden ons dagelijks brood en elk jaar een watersnood.
Dit alle slachtoffers ten spijt.

Het is daarom dat we collectes voor rampen met achterdocht tegemoet treden met de
opgedane ervaringen, dat in de meeste gevallen de opbrengst niet op de juiste plaats
terechtkomt.

Net binnen