Volledig scherm
Vooral in Vlissingen haalde Sturm en Dekker door de decennia heen hele stadswijken neer. Hier de sloop van de Engelse kerk aan het westeinde van de Paul Krugerstraat. foto Gemeentearchief Vlissingen

Een halve eeuw jekkeren, beulen, buffelen en bikken

Het begon als een handeltje in lompen en oude metalen. En groeide uit tot een alom aanwezig sloopbedrijf. Op Sturm en Dekker kan je bouwen, ook al breekt het al vijftig jaar alles af.


Wat als er niets meer te redden valt? ,,Dan moe Sturm en Dekker mae komme", zeggen ze op Walcheren. Overal waar het Oostkapels sloopbedrijf op het toneel verschijnt, wordt het vastgoed Snel en Degelijk opgeruimd.

Zo ook de gereformeerde kerk in Meliskerke. Waar die precies stond? ,,De eerste kerk als je het dorp binnenkomt", had directeur Jan Dekker tegen één van z'n slopers gezegd. De bijbels lagen nog netjes op de banken. Die werden alvast maar op een hoop gelegd. Net toen de beuk erin ging, stak de koster z'n hoofd om de hoek. Wat of dat moest in z'n kerk? Bleek dat de sloper het dorp vanuit de verkeerde kant was binnengereden.

De historie van het vijftigjarig bedrijf is doordrenkt van dat soort smeuïge verhalen. Ze staan in een lijvig jubileumboek 'slopers om op te bouwen' dat vanochtend ten doop wordt gehouden op de afdeling puinrecycling aan de Kleverskerkseweg in Middelburg. Gedeputeerde Toine Poppelaars neemt dan het eerste exemplaar in ontvangst. Het boek leest als een brok sociale geschiedschrijving. Schrijver Jan Zwemer tekende de verhalen op uit de eerste hand: de harde kern van noeste, en vooral ook ruige slopers, mannen die behalve kerken ook fabrieken, boerderijen en hele woonwijken tegen de vlakte gooiden. Veelal met de blote hand. Want meer dan wat hamers, beitels en houwelen hadden ze die eerste jaren niet.

Tegenwoordig werken ze volgens strenge arbeids- en milieuregels. Er worden wielkranen, rupskranen, shovels, betonboren, puinvergruizers en zelfs robots ingezet. Die hadden ze in de beginjaren niet. Wel een kiepwagentje. ,,Vader reed met dat Fordje achteruit tegen zo'n muur en dan hoopte hij dat er zo veel mogelijk op de bak viel", vertelt Jaap Sturm in het jubileumboek. Als zoon van grondlegger Willem Sturm was hij al in z'n schooljaren op de sloop te vinden. Sturm en Dekker doet al gauw zo'n zeshonderd klussen per jaar. Kaalsloop, maar ook het preciezere werk: renovatiesloop en asbestverwijdering. Dat was even anders toen de compagnons Willem Sturm en Jan Dekker met hun sloopbedrijfje begonnen. Sturm was handelaar in lompen en oude metalen, en zag al snel dat je maar beter zelf kon gaan slopen, dan met de bakfiets op zoek te gaan naar handel. November 1958 begon hij aan zijn eerste klus: de ontmanteling van de kapitale buitenplaats Schoonoord aan de Oude Domburgseweg. Hij haalde er Jan Dekker bij, een metselaar met wie hij in Indië had gezeten. Op 10 november schreef het tweetal hun onderneming in bij de Kamer van Koophandel. Al snel hadden ze een mannetje of vijf op de loonlijst staan, veelal jonge avonturiers uit familie- en kennissenkring. Sturm en Dekker telt nu zo'n vijftig man personeel. Maar dreef al die jaren op een kern van een mannetje of vijf: werklui die gewend waren alles aan te pakken wat voorhanden kwam, die nooit zeurden dat iets niet kon, en tot aan hun pensioen bleven jekkeren en beulen, buffelen en bikken, concludeert Zwemer in het jubileumboek.

Dat gold niet voor iedereen die op de loonlijst stond. De meesten hielden het snel voor gezien. Het zware, vaak vuile werk, schrikte menigeen af. En dan had je nog de eigenaardigheden van die twee directeuren, hun eigenzinnigheid, hun gedrevenheid, hun haast en hun zuinigheid. Willem Sturm liet nog geen steen verloren gaan. "In die tijd had je een zak friet voor een kwartje en als je dan een Zeeuwse mop liet liggen, dan zei hij: daè lei weer een zak friet!"

De harde kern wist die krenterigheid te waarderen. Want zo had Jan Dekker, die de loonadministratie deed, altijd wel wat in reserve. ,,Zo konden werklui worden aangehouden als er eens een aantal weken geen werk was."

Sturm en Dekker spreidde snel de vleugels uit. De komst van de industrie in het Sloegebied bracht handenvol werk mee. Alle boerderijen daar moesten wijken voor de vooruitgang. Daar bleef het niet bij. In 1962 stak het bedrijfje de Westerschelde over om huizen te slopen voor de verbreding van het kanaal bij Terneuzen. Eén huisje moest blijven staan, maar welk dat nu precies was? Daar kwamen ze pas achter toen het te laat was. Er lag een 10.000 volts elektriciteitskabel in. ,,We schoven er een houtblok onder en kapten hem in één keer door. Ging ineens, langs het hele kanaal, het licht uit."

Waar gehakt wordt, vallen spaanders. Zoals bij Breskens, waar ze met hun nieuwe vrachtwagen het veerplein opreden. De lading ijzeren pijpen was gaan schuiven, en stak aan de zijkant naar buiten. De enige die dat in de gaten had, was de beambte in het tolhuisje. Hij kon zich nog net uit de voeten maken voordat zijn hok aan diggelen ging : ,,De guldens en rijksdaalders spetterden alle kanten op."

In de ijskoude winter van 1967 had iedereen vorstverlet. Bij Sturm en Dekker deden ze daar niet aan. Want bij graafwerkzaamheden in het Sloegebied was de Fuchs in het ongerede geraakt, één van de eerste kranen die het bedrijf had aangeschaft. Dat werd dus repareren. ,,We zaten daar maar te martelen in de kou. Want als de Fuchs stillag, dan was Sturm en Dekker bijna failliet éé." Uiteindelijk kregen ze gedaan dat ze een potkacheltje mochten stoken in een tentje. Maar of dat veel soelaas bood? ,,Ik heb tegen Jan Dekker gezegd: ik moet direct opslag hebben, anders ga ik vandaag nog weg." Dat maakte indruk. Hij kreeg er meteen een centje bij.

Niet alleen het personeel kreeg het een en ander voor de kiezen. Willem Sturm stond zelf vooraan als het echt gevaarlijk werd. Zoals in datzelfde jaar bij de sloop van het Scheldekwartier in Vlissingen. Ze waren begonnen met de buitenste pilaren. Alleen die in het midden stonden nog overeind. Als je die neerhaalde, zou de hele constructie instorten. Daar moest je dan niet onder staan. Dus klom Willem Sturm naar boven. Vanuit een dakgoot sneed hij de pilaar door. Waarop het hele gebouw, met de directeur nog in de dakgoot, langzaam tegen de grond zakte. Zonder een schrammetje, kon hij het stof van de werkkledij kloppen.

De oprichters van Sturm en Dekker hadden altijd haast. Willem vooral ook als hij in de auto zat. Ooit scheurde hij van het bedrijfsterrein weg, terwijl de slang van de benzinepomp nog in z'n tank

stak. De hele pomp ging tegen de vlakte. Maar dat hoorde hij pas toen hij vanuit Noord-Beveland naar de zaak belde. Iemand had hem daar naar de kant van de weg gestuurd. Omdat het handvat van de benzineslang uit z'n tank stak."

Legendarisch is de sloop van een huisje in Serooskerke. Daar was een goudschat in verborgen. Maar dat ontdekten ze pas jaren later, toen een boer de munten tussen z'n prei vond. Waarschijnlijk tijdens de sloop in de grond terecht gekomen. Ze hadden er destijds wel een paar van in hun handen gehad. Maar daar verder niet zo'n aandacht aan bestreed. ,,Jan Dekker moet toen hebben gezegd: Aah, yoghurtflesdoppen of zo..."

Net binnen