Schrijver Jan Vantoortelboom.
Volledig scherm
Schrijver Jan Vantoortelboom. © Camile Schelstraete

Poëzie. Proza. Porno

Column Jan VantoortelboomOoit zag ik een zwart T-shirt met grote witte belettering van boven naar beneden: Poëzie. Proza. Porno. Grappig vond ik dat, al stonden de woorden naar mijn overtuigde mening verkeerd gerangschikt: Proza. Poëzie. Porno. Dat moest het zijn. Dat komt omdat ik zelf romancier ben, natuurlijk. Tot op heden heb ik me niet gewaagd aan poëzie. 

Sterker nog, ik moet zelfs – niet zonder enige schaamte – bekennen dat ik zelden poëzie lees. Als ik daar wat dieper over nadenk, dan kan ik niet anders dan tot de slotsom komen dat mijn bewuste, zelfs verbeten weigering om poëzie tot me te nemen komt doordat ik maar al te vaak gedichten heb moeten lezen waar ik niets van snapte. 

In mijn studententijd, voornamelijk. Gedichten met een overdaad aan associatieve beeldspraak, gedichten met woorden die ter plekke door een dichter werden uitgevonden, gedichten die de bladspiegel als een schilderspalet beschouwden en waarvan de woorden en zinnen er hier en daar werden opgekwakt, zonder enige samenhang, gedichten met alleen maar leestekens enzovoorts. 

Al dat experimenteel gedoe stond me niet aan. Ik ben van het realistische verhaal, van de lange adem, van het beeld dat ik ken en herken, van de doorploegde gedachte en emotie die gezaaid is over honderden pagina’s en aan het eind tot kiemen komt.

Maar als een gedicht geschreven is in de taal waarmee ik ben grootgebracht, met beelden die ik ken en herken en dus begrijp, dan is het een ander verhaal. Dan ben ik de mot die naar het warme lamplicht vliegt. Zo was ik een poos geleden bij de maandelijkse spoken word voorstelling ‘Woordwaarde’ in boekhandel De Drukkery in Middelburg. 

Quote

Al dat experimen­teel gedoe stond me niet aan. Ik ben van het realisti­sche verhaal, van de lange adem, van het beeld dat ik ken en herken.

Het was een verbazingwekkend leuke avond aan elkaar gepraat door een jongeman met een splijtende glimlach en een zalvende stem. Hij introduceerde de nieuwe Middelburgse stadsdichter Raymond van de Ven die zich, naar eigen zeggen, bij gebrek aan ellende laat inspireren door het alledaagse. Zijn gedichten ontlokten zelfs een schaterlach aan me. 

Humoristisch met een tragische ondertoon. Daar hou ik wel van. Het doet me aan de Ierse literatuur denken. Maar ik was die avond speciaal naar Middelburg afgereisd voor iemand anders. Er was een dichter te gast bij wie ik even de mot kon zijn. Zijn naam is Tijs van Bragt. Hier volgt een van zijn gedichten die ik maar al te goed begrijp:

Notities van een niksnut

het raam waarin de ondergrondse zon

altijd bovenkomt

dat bleke kozijn en die hoepel van licht

de dagelijkse nood een gedicht aan te vliegen

hoe vang je een gedicht bij elkaar als je niets kunt

hoelang al leunt die vraag op zijn mongoloïde nek

middaguur

twee sigaretten, even pissen

zijn pen heeft hij al duizend maal gebroken

wat stel je voor als je geen woorden vonkt

wat levert een ziel tegenwoordig op

boven het kruispunt zakt het winterlicht zich

tot een schraal en vrekkig vuur

het is weer mager oogsten

ook vandaag geen gedicht tegen het avonduur

kalmpjes aan nu, deze mens

even haastig

als een uitgebeende mot naar het bronlicht toe

Een goed gedicht is krachtiger dan een roman en een dichter staat dichter bij de hemel. Het T-shirt had gelijk.

  1. Online lesgeven maakt sommige leraren weer menselijk
    PREMIUM
    column Jan Vantoortelboom

    Online lesgeven maakt sommige leraren weer menselijk

    Ik ken een jongen die dit schooljaar samen met een groep vrienden tegen het ontmoedigingsbeleid van de school in, is overgestapt van 4 vmboT naar 4 havo. Voor het eerst in de schoolcarrière van die jongen, die al vanaf groep 4 gekenmerkt werd door schoolmoeheid, vertelde hij mij over zijn wedervaren tijdens de wiskundeles en met name over de persoonlijke benadering van de wiskundeleraar. Het motto van de leraar was: ‘hoe minder zielen, hoe meer vreugd.’
  2. Het leven als essay
    PREMIUM

    Het leven als essay

    Naast mijn schrijverschap ben ik docent Engels. Een onderdeel van het lesprogramma bestaat uit het schrijven van een persoonlijk essay. Toen ik enige weken geleden de opdrachtspecifieke kenmerken introduceerde en de studenten op de hoogte bracht van hoe het essay geschreven en vooral gestructureerd diende te worden, maakte ik na afloop van de les, toen ik alleen in het leslokaal achterbleef en nog zat te herkauwen op wat ik zojuist had uitgelegd, in mijn gedachten een filosofische associatie tussen het schrijven van een essay en het leven zelf.
  3. Bollix zelf waggelt testikelloos maar jolig door zijn hondenleven
    PREMIUM
    COLUMN JAN VANTOORTELBOOM

    Bollix zelf waggelt testikel­loos maar jolig door zijn hondenle­ven

    Thuis ben ik degene die de dieren een naam geeft. Als schrijver wordt dat van me verwacht. Ik vind het een eer om te doen. Een dier hoort een naam te hebben. Zonder naam blijven ze hun leven lang een schaduw van het onbekende en onbekend maakt onbemind. Als een boer elke koe een naam gaf, dan zou het moeilijker zijn ze naar het slachthuis te brengen. Of een jager: kijk! Daar loopt haas Kromme Henkie, de papa van Rattekop en Snottebel. Schiet hem kapot!

Columns