Jan Vantoortelboom
Volledig scherm
PREMIUM
Jan Vantoortelboom © Marja Jansen

De Turk plaatste een linkse uppercut, en de knietjes van mijn broer hielden het niet meer

column Jan VantoortelboomAf en toe kijk ik weer eens een potje prutvoetbal. Dat doe ik telkens bij een WK of EK. Maar deze keer kan het me maar weinig bekoren. Het is een idiote sport beoefend door overbetaalde jongens. We kennen het wel ondertussen: brood en spelen, eten en amusement. Maar zelfs het amusement vind ik er dezer dagen niet in. De paar wedstrijden die ik heb gezien waren bedroevend: veilig en daardoor saai, geen echt voluit spel met risico’s. Misschien ligt het aan het feit dat er ook veel nieuwelingen tussen zitten en omdat ik het voetbal nooit volg en opeens al die nieuwe koppen zie. Dus word ik geconfronteerd met het feit dat ik verouderd ben.

  1. Ik stak de loftrompet en ze bloeide open voor mijn ogen
    PREMIUM
    COLUMN JAN VANTOORTELBOOM

    Ik stak de loftrompet en ze bloeide open voor mijn ogen

    Van de week ging ik weer eens mijn erf af om een reis te maken naar Het Groene Woud, een leslocatie van de Hogeschool Zeeland in Middelburg. Een erg mooie naam, vind ik dat, temeer omdat er een paar bomen in de buurt staan. Op de reis ernaartoe zag ik uit het niets twee gigantische zuilen van zonnestralen het aardoppervlak bereiken, net als de benen van een driehoek waarvan het snijpunt verholen lag in een dik wolkenpak. Maar tussen die benen, precies in het midden, lag een boerderij. De symboliek ervan deed me mijmeren over het leven in die boerderij: tussen licht en geluk in?
  2. Corona verwart onze paniekreflex
    PREMIUM
    column jan vantoortelboom

    Corona verwart onze paniekre­flex

    Ik herinner me nog de eerste keer dat ik een indringende combinatie van angst en opwinding voelde. Het was 25 maart 1983. Ik was 7 jaar en slenterde de weg van school terug naar huis en toen ik van achter het milde bochtje, langs de hoge beuken en eiken van het bos, onze straat verder kon inkijken, zag ik dat mijn ouders op de stoep stonden. Ze praatten met de buren. Er stonden nog meer mensen buiten, overal klitten ze samen en waren druk aan het converseren. Ik herinner me de opwinding die ik voelde, mijn hartslag die opeens racete, want zoveel mensen buiten op straat betekende dat er iets gebeurd was, waarschijnlijk iets ergs. Ik weet nog dat ik begon te rennen. Toen ik bij mijn ouders en buren ging staan om mee te luisteren, verviel iedereen tot mijn teleurstelling in betekenisvol stilzwijgen. Het was pas in de beslotenheid van onze keuken, tijdens het avondeten, dat ik hoorde wat er die dag was gebeurd.

Columns