Schrijver Jan Vantoortelboom.
Volledig scherm
PREMIUM
Schrijver Jan Vantoortelboom. © Camile Schelstraete

Au revoir, Arsehole!

COLUMN JAN VANTOORTELBOOMEen poos geleden parkeerde ik mijn auto nabij brasserie Westbeer aan de Scheldeboulevard in Terneuzen en slenterde ik na drie maanden eenzame opsluiting weer eens naar boekhandel Van de Sande. Ik wandelde via de hoek van de Westkolkstraat, langs het theater. Een uit de kluiten gewassen jongeman met een kapsel dat ook populair was in Dublin in 1996 wandelde in mijn richting.

  1. Corona verwart onze paniekreflex
    PREMIUM
    column jan vantoortelboom

    Corona verwart onze paniekre­flex

    Ik herinner me nog de eerste keer dat ik een indringende combinatie van angst en opwinding voelde. Het was 25 maart 1983. Ik was 7 jaar en slenterde de weg van school terug naar huis en toen ik van achter het milde bochtje, langs de hoge beuken en eiken van het bos, onze straat verder kon inkijken, zag ik dat mijn ouders op de stoep stonden. Ze praatten met de buren. Er stonden nog meer mensen buiten, overal klitten ze samen en waren druk aan het converseren. Ik herinner me de opwinding die ik voelde, mijn hartslag die opeens racete, want zoveel mensen buiten op straat betekende dat er iets gebeurd was, waarschijnlijk iets ergs. Ik weet nog dat ik begon te rennen. Toen ik bij mijn ouders en buren ging staan om mee te luisteren, verviel iedereen tot mijn teleurstelling in betekenisvol stilzwijgen. Het was pas in de beslotenheid van onze keuken, tijdens het avondeten, dat ik hoorde wat er die dag was gebeurd.
  2. ‘Klein gatje, nie diep’ zei de Spaanse tandarts
    PREMIUM
    column jan vantoortelboom

    ‘Klein gatje, nie diep’ zei de Spaanse tandarts

    Tandartsen zijn de schrik van menig kind. Ik was er ook zo een. Dat had alles te maken met een tegen zijn pensioen aanhikkend heerschap met een indrukwekkende haardos uit zijn oren en een bril die zijn ogen twee keer zo groot deed lijken. Op een mooie zaterdagmorgen ging hij eens een tand trekken, overschatte zijn trekkracht schromelijk, kreeg die kies er dus niet goed uit, begon te wrikken, en ik die lag te kronkelen en hij die met zijn tang langs het glazuur schraapte omdat hij de grip verloor (dat geluid vergeet ik nooit meer) en ik die hem dan weer spastisch een knietje in zijn kruis gaf. Met andere woorden: het was er niet gezellig; het was een moderne martelkamer.
  3. Die jongen is dood: bomen buigen nooit
    PREMIUM
    COLUMN JAN VANTOORTELBOOM

    Die jongen is dood: bomen buigen nooit

    In een zwembad in Gent zag ik een koppel met een lieftallig dochtertje. De man zag eruit als een zwaargewichtversie van de Ierse kooivechter Conor mcGregor. Hij droeg bovendien een al te blitse en kleurrijke kniehoge zwembroek die hij waarschijnlijk te elfder ure in zijn kast had gevonden. De vrouw straalde rust en gemoedelijkheid uit en zat gevangen in het bejaarde lijf van Pipi Langkous. Hun dochtertje zat aan het ronde tafeltje, duikbrilletje op haar voorhoofd. Een idyllisch tafereel.

Columns