Volledig scherm
De kat op de atletiekbaan van AV’56 in Goes. © Marjoleine Kramer

Beestenbende

blogMet vermoeide voeten trad ik maandag aan bij AV’56. Mijn voetzolen voelde ik nog van het festival dat weekend ervoor. Ik had lang gestaan, veel gedanst en genoeg rondgelopen. Zo’n tien kilometer per dag. Eline was ook vermoeid. Ik haalde haar over wel gewoon te gaan, maar dan zouden we het rustig aan te doen.

Trainer Laurent stond er die avond alleen voor, de andere trainers waren op vakantie. Daarom deden we na drie rondjes inlopen geen oefeningen met een parcours, maar liepen we een rondje over de baan terwijl we huppelden, plankten, opdrukten en lunges deden. Daarna was het tijd voor de piramide.

De piramide? Wat was dat eigenlijk. Blijkbaar deden we dat zo’n beetje om de vier weken, maar had ik die term nog niet opgevangen. We begonnen met honderd meter joggen, honderd meter rust. Daarna tweehonderd meter joggen, honderd meter rust. Vervolgens driehonderd meter joggen en dan honderd meter rust. Zo bouwden we op tot we de vijfhonderd meter hadden gelopen. Daarna hadden we een hele ronde/vierhonderd meter rust, waarna we zeshonderd meter liepen. Vanaf toen bouwde we de afstand weer af: vijfhonderd, vierhonderd, driehonderd, etc. tot we weer bij de honderd meter waren aanbeland.

Kattig

De laatste honderd meter hebben Eline, Nadine en ik nog een sprintje ingezet. Eline kwam als eerste over de streep, gevolgd door mij en Nadine (die met een achterstand begon). Eigenlijk zijn sprintjes, zeker op het einde, niet goed vertelde Laurent. Dit in verband met de kans op blessures, maar ook omdat we eerder voor de lange afstand trainen en daarin eerder proberen het tempo verhogen dan dat we trainen om een goede sprinter te worden. Point taken. Misschien voortaan toch maar geen sprintjes meer doen.

Tijdens de training zagen we nog een kat op de atletiekbaan zitten. “Da’s mijn trainingsmaatje hier”, vertelde Laurent. Als hij zelf twaalfhonderd meters komt trainen, zit de kat regelmatig op de atletiekbaan. Het beestje gaat dan vaak in het gras liggen en wanneer Laurent langs komt gejogd, tilt hij zijn kopje even op. Best gezellig. Die avond liep het poezenbeest rond op het terrein en keek hoe ‘zijn onderdanen’ zich uitsloofden, zo stelde Eline en ik het ons voor. Een kat heeft ten slotte personeel. 😉

‘Rust’

De rest van die week is het door allerlei sociale verplichtingen niet meer van joggen gekomen. Daarom trok ik de maandag daarop mijn hardloopschoenen pas weer aan. Eline en Nadine waren er dit keer niet. En ook de jonge kat liet het afweten. Ik moest de ‘puppybrigade’ alleen vertegenwoordigen. Bij de loopoefeningen moesten we letten op de rotatie van onze schouders. Die moest minimaal zijn want: allemaal verspilde energie.

Daarna was het tijd voor de kern. Drie keer zeshonderd meter (anderhalve ronde) joggen met tweehonderd meter rust. Vervolgens een hele ronde rust en weer drie keer zeshonderd meter. Wanneer we ‘rust’ hadden, mogen we eigenlijk niet meer wandelen, maar daar nemen we het in groepje vijf niet zo nauw mee… Laurent heeft ons een aantal keer gesommeerd toch maar heel langzaam te joggen. Dat deden we dan ook braaf. (Voor even.)

Tempo lopen

Groep vier kreeg als leidraad mee 03:20 minuten over de zeshonderd meter te doen. Dat betekent een gemiddeld tempo van 10,8 km/u. Wij van groep vijf mochten op eigen tempo lopen. Eén van de groepsgenoten had een gloednieuw sporthorloge aan. Zij klokte onze tijd. Die was telkens ongeveer 03:53. Een gemiddeld tempo van 9,3 km/u dus. Dat klinkt niet erg spectaculair, maar is toch een stuk sneller dan het tempo van 8,5 km/u dat ik gemiddeld buiten met een duurloop haal.

Op het einde ben ik wel braaf geweest en heb ik dit keer geen sprint meer ingezet.

Volledig scherm
Ik heb het Haflingerveulen van dit jaar is weer gespot! © Marjoleine Kramer

Veulentje

Later deze week kon ik gelukkig wel tijd vinden voor mijn duurloopje. Ik besloot mijn oude vertrouwde rondje weer eens te lopen. Ik heb daar echt van genoten. Ik besloot dit keer iets sneller op de route te beginnen met joggen, wie weet zou ik het extra lang volhouden. Maar door de drukkende vochtige lucht moest ik na de kuil in de dijk, ongeveer op de helft van de route, helaas toch even wandelen om bij te komen. Ik had het benauwd en voelde mijn spieren ook licht protesteren. Toen alles weer lekker voelde, zo’n honderd meter verder, zette ik weer aan.

Na de kat een week eerder op de atletiekbaan, kwam ik dit keer de Haflingermerrie tegen. Ik had haar al een poos niet in de wei zien staan en haar veulen van dit jaar stond er nu ook bij. Die had ik nog niet gezien! Vanuit de wei volgde het jonge dier me met zijn ogen, terwijl ik over de dijk voorbij kwam gehold. Altijd leuk om te zien, dat jonge spul.

Koeienogen

Toen ik de paardenwei voorbij was, werd ik al snel opnieuw aangestaard. Dit keer door een kudde jonge koeien. Terwijl ze hun neus hoog in de wind staken (die kwam van mijn kant), liepen er een aantal richting de hoek van de wei waar ik langs zou komen. Wat een nieuwsgierige aagjes zeg! Ik had al eerder gehoord dat koeien vaak op iets af komen rennen als ze nieuwsgierig zijn. Daar zijn ze heel anders in dan paarden. Als ik na mijn wandelen niet perse had willen doorlopen, had ik ze best even een aai kunnen geven. Maar ik bleef joggen.

Toen mijn ronde er weer bijna op zat, begon het licht te spetteren. Ik besloot nog een stukje langer door te joggen dan normaal. Eigenlijk kon ik nog wel een stukje verder. Maar uitwandelen is ook noodzakelijk, dus begon ik daar toch mee. Net voordat ik de deur bereikte begon het te gieten. Ik moest hollen. Als ik tussendoor nou niet had gewandeld, had ik misschien helemaal geen spetters op mijn kop gehad. Maar ja, dat is achteraf. En achteraf is makkelijk praten. 😉

Volledig scherm
De nieuwsgierige koeien. © Marjoleine Kramer

Kijk ook op: JoggenDoorZuidBeveland en Hardlopen in Zeeland.

PZC gebruikt je persoonsgegevens om deze reactie te kunnen plaatsen. Meer informatie vind je in ons privacy statement

blogs