Corné Lepoeter: ,,Dat Sjinkie Knegt weer op het ijs stond, vond ik prachtig. En ik zie ook graag Suzanne Schulting winnen. Maar ik kreeg pas echt een euforisch gevoel toen Stijn Desmet, een Belgisch talent, tweede werd. Het was zijn eerste medaille bij een World Cup. Zulk succes ervaar ik dan ook als mijn succes.’’
Volledig scherm
PREMIUM
Corné Lepoeter: ,,Dat Sjinkie Knegt weer op het ijs stond, vond ik prachtig. En ik zie ook graag Suzanne Schulting winnen. Maar ik kreeg pas echt een euforisch gevoel toen Stijn Desmet, een Belgisch talent, tweede werd. Het was zijn eerste medaille bij een World Cup. Zulk succes ervaar ik dan ook als mijn succes.’’ © Orange Pictures

Corné Lepoeter: broekie van toen leidt nu Belgische Snelschaatsbond

PORTRETIn 1994 werd Corné Lepoeter Zeeuws kampioen marathonschaatsen, als - zoals deze krant dat toen schreef – ‘broekie uit Wemeldinge’. Anno 2020 is hij president van de Koninklijke Belgische Snelschaatsfederatie. ,,Ik heb zelf een deftige carrière gehad”, zegt hij. ,,Als bestuurder probeer ik het nu nog beter te doen.” Hij jaagt onder meer op olympisch goud voor één van onze zuiderburen en wil op relatief korte termijn de eerste Belgische 400 meter baan zien verrijzen.

Het internationale schaatsseizoen zit er sinds vorig weekeinde op. De wereldbekerfinale in Heerenveen vormde het slotstuk. Dat betekent niet dat Corné Lepoeter (45) nu even achterover kan leunen. ,,Vaak wordt gedacht dat de winter de drukste tijd is”, vertelt hij. ,,Mijn ervaring is juist dat de periode van maart tot en met december het meest intensief is. Dan ben je bezig met alle voorbereidingen. En pas rondom de grote kampioenschappen, als alles al geregeld is, wordt het wat rustiger. Dan is het nog een kwestie van wedstrijden bezoeken en netwerken.”

Moet ik je aanspreken met ‘meneer de president’?
,,Haha, nee hoor. President, voorzitter… Het maakt niet uit. Ik vind mezelf meer een voorzitter van een raad van bestuur, maar binnen het internationale schaatsen heb je te maken met ‘presidenten’. Ach, het gaat niet om de titel. Het gaat erom wat we als België – dus met z’n allen – presteren. Ik vind het belangrijk om iets gezamenlijk te doen. Dat heb ik van mijn ouders, die nog altijd in Kapelle wonen, meegekregen: ‘Je moet niet denken dat je het in je eentje kunt, samen is altijd beter’. Bij vergaderingen benoem ik ook altijd de successen die we als team hebben geboekt.”