foto Mechteld Jansen
Vaak wordt de zwangerschap pas zo laat 'ontdekt' dat er nog maar een paar maanden zijn om te wennen aan het idee dat er een baby komt.
„Ik heb altijd gezegd: als dát maar niet gebeurt”, zegt de moeder van de
16jarige Lena. Toch raakte Lena zwanger. Het aantal jonge moeders neemt al
jaren af. Dat komt voornamelijk door het dalende aantal tienermoeders onder
nietwesterse allochtone vrouwen. En doordat steeds vaker voor abortus wordt
gekozen. In 2008 kozen 65 jonge Zeeuwse meiden ervoor hun kind te houden. En
dan?
Zie ook:
Noem Lena geen tienermoeder. Een rothekel heeft ze aan dat woord, tienermoeder. „Ik zie gelijk een beeld voor me: blank meisje, jaar of negentien, rokend, met twee halfbloedkindjes bij zich. Ze is ongeschoold, kleedt zich veel te ordinair en schreeuwt tegen haar kinderen.
Naast haar lopen jongens te blowen, midden in de stad. Je kunt duidelijk zien dat ze het eigenlijk allemaal niet meer trekt.”
Zulke tienermoeders zijn er wel, maar niet alle tienermoeders zijn probleemgevallen, wil Lena maar zeggen. Jonge moeders vindt ze een neutralere benaming: moeders die, al dan niet toevallig, het eerste kind (erg) vroeg gekregen hebben.
Als zij straks haar kindje krijgt, is Lena 16. „Ik was veertien toen ik seksueel actief werd. Dan ben je nog een kind, maar je kunt zelf al in verwachting raken. Raar dat de natuur dat zo geregeld heeft.
Een kind is een grote verantwoordelijkheid. Die kun je eigenlijk niet dragen, als je zelf nog een kind bent. Ik ben niet volwassener dan andere meiden van zestien. Ik heb stomme dingen gedaan, zocht problemen op, ging te veel uit, dronk wel eens te veel, dat soort dingen. Nu niet meer, natuurlijk. Ik rook niet eens meer.”
Moeder Marja: „Ik heb altijd gezegd: als dát maar niet gebeurt. We hebben op een zaterdag samen de zwangerschapstest gekocht. Zondagavond dacht ik: ik ga maar eens vragen, want het zal nu wel duidelijk zijn. Toen ze in verwachting bleek te zijn, was ik behoorlijk van streek.” Er werd meteen een afspraak gemaakt met een maatschappelijk werker van het Fiom. Deze landelijke organisatie helpt vrouwen bij onbedoelde zwangerschap met het maken van keuzes en heeft sinds kort een Zeeuws loket in Goes. „Abortus is zeker een overweging geweest”, verklaart Lena. „Ik was er heel vroeg bij; op de echo was nog niets te zien. Bij het Fiom hebben ze me uitgelegd wat moederschap precies inhoudt en gevraagd hoe ik mijn toekomst voor me zag. Ook zeiden ze dat het belangrijk was dat ik zelf de keuze maakte, ongeacht wat de vader en de ouders vonden. Uiteindelijk ben ik degene die een abortus zou moeten ondergaan, of die een kind zou moeten opvoeden.” Ze koos voor het laatste.
De relatie met haar vriend is ingrijpend veranderd. „Er komt enorm veel druk op te liggen. Hij was bang dat ik hem buiten zou sluiten. En het is waar, ik dacht eerst ook: dit ga ik alleen doen, het is mijn kind, daar blijf jij vanaf. Nu is het echt WIJ geworden. Heel erg. Hij gaat mee naar de verloskundige, is enorm betrokken.”
De telefoon gaat. Marja neemt op. „Ja? Ja? Echt?
Geweldig!” Opgetogen tegen Lena: „Yes! Het is gelukt! Je mag naar de Bonte Koets, de kinderopvang bij de Veerse Poort. Daar kun je tenminste heen lopen, met de kinderwagen. En dan met de fiets naar school.”
School
Niet elke jonge moeder ís een probleemgeval, maar ze hébben wel hun eigen,
specifieke problemen. School, bijvoorbeeld. Lena zat in 4havo. Ze had het
laatste schooljaar graag over twee jaar verspreid gedaan, maar daar zag de
school geen mogelijkheden voor. „Nu ga ik de vavo doen, gecombineerd dag en
avondonderwijs. Dat kan in principe pas vanaf je achttiende. Daar is
ontheffing voor gevraagd.”
Zo waren er meer kwesties. Kan een jonge moeder van onder de 18, die geen eigen inkomen heeft, een uitkering krijgen? (Ja: een ‘babyuitkering’) Kun je zelfstandig woonruimte huren bij een woningbouwcorporatie, als je nog geen 18 bent? (Nee.) Krijg je voorrang bij woningtoewijzing als je (bijna) een kindje hebt? (Nee.) Kun je ontheffing krijgen van de leerplichtwet, zodat onderwijs en moederschap beter te combineren zijn? (Moeilijk, moeilijk.) Wat als je nog geen 18 bent, en daardoor geen voogd van je eigen kind kunt zijn? (Ouders kunnen voor hun 16 of 17jarige kind toestemming geven voor een volwassenverklaring of handlichting.) Zeeland kent geen ‘jongemoederloketten’ waar op al deze vragen antwoord is. Moeten die er komen? Mirjam Velthuis van het VBOK, dat jaarlijks zo’n vijftig hulpvragen uit Zeeland krijgt: „Ze zijn goed voor de groep jonge moeders die minder grote problemen heeft. Soms is echter veel intensievere hulp nodig.”
Rotterdam heeft het breder aangepakt en een ‘jongemoederbeleid’ opgezet. Tienermoeders kunnen bij een jongerenloket terecht dat méér is dan een vraagbaak. Het loket biedt persoonlijke coaching aan moeders die met problemen kampen als huisvesting, schulden of leren omgaan met geld; om kinderopvang, onderwijs of werk.
Vaders
Met al die aandacht voor de moeders, zou je bijna vergeten dat de kinderen ook vaders hebben. Niet zelden echter zijn die niet (genoeg) betrokken bij de opvoeding, of helemaal uit beeld verdwenen. Neem nu Roos. Ze was 17 en zat in het eerste jaar van de mbo toen ze de elf jaar oudere Willem leerde kennen. Van de acht meiden uit dat eerste jaar, hebben er nu vier een kindje. „Die meiden zijn nu allemaal van school.” Roos niet, al heeft zij nu zelf ook een baby op haar arm: Faye.
De vader was er wel bij toen Faye geboren werd.
Maar Willem heeft een eigen leven, in Groningen, waar hij werkt als lasser. Met twee andere kinderen uit eerdere relaties heeft hij volgens Roos geen contact meer, met zijn dochter Faye wil hij wél een band opbouwen, zegt de jonge moeder. „Willem is echt heel lief met kinderen en vindt het geweldig bezig te zijn met Faye. Ik zou graag willen dat Willem hierheen verhuist en dat we gaan samenwonen. Hij werkt hard om zijn financiële problemen op te lossen. Pas dan kunnen we samen zijn.”
Een paar weken later is die hoop de grond in geslagen. Haar gezicht verraadt geen emoties, als ze met vlakke stem vertelt dat Willem niets meer met haar en hun kind te maken wil hebben. „Hij kan niet accepteren dat het zijn kind is.” Ze haalt met een kort rukje haar schouders op, alsof ze wil zeggen; wat kan ik eraan doen?
Willem en Roos hadden een jaar verkering toen ze in verwachting raakte: „Mijn moeder was een weekeindje weg, naar haar vriend. ‘Ik denk dat ik zwanger ben’, smste ik.”
Moeder Karin: „Ik dacht dat het wel zou loslopen.
Ik heb er zó op gehamerd: slik de pil, gebruik condooms. Daar vertrouwde ik op.”
Willem ging met haar mee toen de eerste echo gemaakt werd. Roos bleek al 21 weken zwanger te zijn. „In mijn buik zat een complete baby. Ik was altijd al gek van baby’s en wilde graag kinderen, maar wel pas als ik mijn school had afgemaakt. Ik wil geen ongeschoolde moeder zijn. Zonder diploma’s kom je tegenwoordig nergens, dat besefte ik heel goed. Gelukkig was er vanuit de school veel steun. We zijn samen met mijn moeder gaan kijken wat we konden doen.”
Kijkend naar Faye, die in de armen van Roos in slaap gevallen is, zegt Karin: „Roos zit op het mbo. Ze kan gelukkig zelf bepalen wanneer ze haar verplichte uren maakt op school, het is goed te combineren. Met mijn hulp, dan. Ik heb dingen van mezelf opzij moeten zetten. Ik had veel hobby’s. Ik wilde binnen een jaar ergens anders gaan wonen, bij mijn vriend. Dat gaat allemaal even niet. Roos woont zolang ze nog naar school gaat bij mij en ik help haar met de baby.”
Roos was wat hulpverleners een risicozwangere noemen. Ze kwam terecht in het project ‘Veilige Start ’. Projectleider Paut Kromkamp legt uit wat het inhoudt: „ Het gaat om situaties waarin we alert moeten zijn op kindermishandeling, of het risico daarop. Om geestelijke of lichamelijke kindermishandeling, om verwaarlozing of huiselijk geweld waarvan een kind getuige kan zijn. Vlissingen kampt traditioneel met een hoog aantal tienermoeders. Daarom is voor Vlissingen gekozen om ervaring op te doen met dit project. Overigens gaat het daarbij niet speciaal om tienermoeders. Het gaat om álle moeders bij wie de verloskundige, de gyneacoloog, de huisarts of andere professionals denken: als straks het kindje mee naar huis gaat, zou het wel eens niet goed kunnen aflopen.”
Veilige Start heeft in 2009 zeventien dossiers afgesloten. In meer dan de helft van de gevallen was de vader van het kindje onbekend. Zo zijn er meestal wel meer problemen. De financiële situatie is slecht, de huisvesting ontoereikend, er kunnen psychische problemen zijn, problemen zijn met alcohol of drugs.
Kromkamp: „Jonge moeders die uit een goed nest komen, die een behoorlijke opleiding volgen, daarmee komt het wel goed. Die worden wel opgevangen.
Maar heeft de moeder een belast verleden, dan geeft ze dat vaak door. Denk aan moeders die als kind met de Kinderbescherming te maken hebben gekregen. Zulke moeders missen vaak bepaalde vaardigheden die nodig zijn voor het moederschap, omdat hun eigen moeders die ook niet hadden.” Om Roos heen is een netwerk van vrienden, buren en familie gevormd dat steun biedt.
„Zo maak je een veiligheidsplan. Soms blijft daarbij een hulpverlener nodig. Een enkele keer is die aanpak niet genoeg, dan gaat het kind naar een pleeggezin, of een moederkindhuis.”
Het ‘project’ Roos is inmiddels afgesloten, zoals dat heet. De Jeugdgezondheidsdienst (de vroegere consultatiebureaus) blijft, al is het dossier gesloten, altijd een oogje in het zeil houden, vertelt Kromkamp. „Vanuit het kind, want daar gaat het ons om.”
Dit is het tweede jaar dat ervaring opgedaan wordt met Veilige Start. Er is net een folder gedrukt, met algemene informatie en namen van maatschappelijk werkers die gebeld kunnen worden. Als er genoeg resultaten worden geboekt, haakt ook de rest van Zeeland straks aan.
Jongemoedergroep
Roos en Lena gaan allebei naar de Jongemoedergroep die eens in de twee weken samenkomt in Vlissingen. De Jongemoedergroep is een initiatief van het Maatschappelijk Werk Walcheren (MWW) en Palladium.
Vrijdagmorgen 9 april. In wijkcentrum Het Bolwerk geurt de koffie. Tinka Ruis
van het MWW zet de kopjes klaar. Stagiairs van de HZopleiding Social Work,
die op de kinderen passen, halen speelgoed uit dozen. Hoeveel er vandaag
zullen komen, is maar weer helemaal de vraag. „Meestal zes, van de ongeveer
23 meiden met wie we contact hebben”, vertelt de maatschappelijk werkster.
„En de samenstelling wisselt sterk.”
Vandaag is Lena er niet. Roos wel, met de baby.
De Jongemoedergroep biedt meiden als Roos een kans om vriendschap te sluiten met leeftijdgenoten die snappen wat zij doormaken. Terwijl de meeste van hun vrienden nog kunnen gaan stappen, studeren en uitslapen, zitten zij met een kind op schoot. „Eenderde van tot de helft van de jongemoedergroep heeft geen grote problemen”, benadrukt Tinka Ruis. „Het is een misverstand dat de groep alleen voor ‘probleemmoeders’ is. Een steuntje in de rug is vaak genoeg. Tegelijk worden leuke en leerzame activiteiten aangeboden. Het is de bedoeling dat ze zelf een onderwerp kiezen dat ze belangrijk vinden. Daar gaan we dan mee aan de slag.”
Zo is er een keer iemand geweest van de wijkverpleging om te vertellen over peuters, slapen, eten en zindelijkheid. Borstvoeding en kinderopvang zijn andere thema’s, net als werk, omgaan met geld, de relatie met de vader van het kind, seksualiteit, je eigen verleden en je eigen opvoeding. Zelfstandigheid is ook een belangrijk punt. Als een moeder gebruik wil maken van aanvullende hulp, wordt samengewerkt en verwezen. De lijn naar het maatschappelijk werk is natuurlijk heel kort, maar ook organisaties als Homestart, de kredietbank of het Opvoedsteunpunt kunnen via de moedergroep in beeld komen. Zo’n groep als in Vlissingen is er sinds kort ook weer in Goes.
Na ongeveer een jaar Jonge Moedergroep stromen de meiden door naar In Action.
Die moeders zijn al grotendeels ‘zelfsturend’, zoals dat hier heet, en hun kinderen zijn geen baby’s meer. Bij In Action staat ontmoeting voorop, maar het is niet alleen koffiedrinken. De meiden leren ook solliciteren, er wordt weerbaarheidstraining gegeven, naailessen. Coördinator Els Koole van de Stichting Palladium: „In Action wil zelfvertrouwen opbouwen. Op fouten worden deze meiden al te veel gewezen. Ze moeten af van het idee: ‘Nu heb ik een kind, nu kan ik niets meer’. Meid, zeg ik dan, je kunt in Nederland tot je honderdste studeren, als je maar wil. Wat kun je allemaal nog wél, met een kind?”
In 2007 telde Zeeland nog 75 jonge moeders, in 2008 waren het er 65 en in 2009 werden 64 jonge vrouwen (tot 23 jaar) moeder. Middelburg, Terneuzen en Vlissingen staan daarbij aan kop. De daling van het aantal tienermoeders sinds 2001 is volgens het CBS grotendeels aan nietwesterse allochtonen toe te schrijven. Het geboortecijfer van Turkse en Marokkaanse tieners is nu bijna op het niveau van autochtone leeftijdsgenoten. Bij Antilliaanse tienermeisjes is dat cijfer in 2008 licht gedaald. Toch waren er in die groep in 2007 nog bijna acht keer zo veel tienermoeders als bij autochtone meiden.
Vooral in Vlissingen wonen veel Surinamers, Antillianen, Turken en Marokkanen. Toch ziet het maatschappelijk werk weinig jonge moeders uit die groepen. Ze zijn moeilijk bereikbaar voor hulpverlening. Wie de hulpverleners wél zien: kwetsbare meiden uit Nederlandse gezinnen. Wie de vader is van hun kind, is meestal wel bekend, maar ze helpen niet mee met de verzorging en vaak dragen de kinderen de naam van de moeder.
Daarnaast komen er meiden ‘in zicht’ via de vroegere Crisisopvang (nu Centrum Maatschappelijke Opvang, CMO) in Vlissingen of via de meldpunten voor voortijdige schoolverlaters. En tot slot komen via de consultatiebureaus en jeugdgezondheidszorg ook de vroegere ama’s (alleenstaande minderjarige asielzoekers) in beeld, van Afrikaanse afkomst.
Qua achtergrond verschillen deze moeders enorm. Elk geval is een geval apart. „Het kan enige tijd duren voor precies duidelijk is wat er allemaal speelt”, zegt Tinka Ruis van het Maatschappelijk Werk Walcheren . „De verhalen zijn lang en ingewikkeld. Vaak zijn er trauma’s uit het verleden. Elkaar leren kennen en vertrouwen winnen is de eerste stap.”
Als een jonge moeder niet bij haar ouders thuis wil of kan wonen, heeft ze in Zeeland een groot probleem. „Opvang is nu alleen buiten de provincie mogelijk, en ook daar is gebrek aan plaatsen”, vertelt Tinka Ruis. „Jonge of aanstaande moeders vinden in Zeeland geen huisvesting met begeleiding. Dat is een groot gemis. Moeders moeten nu uit hun eigen omgeving weg en daarmee valt ook de steun van het sociale netwerk weg.”
In die behoefte wordt binnenkort voorzien.
Half juli kunnen de eerste meiden terecht bij de Stichting Huize Verder in Hulst . Er is plaats voor drie jonge moeders. Op de site van de stichting Huize Verder is informatie verzameld over instanties die nuttig zijn voor (aanstaande) jonge moeders. En er is een lijst met spullen voor de inrichting die nog ontbreken: een condensdroger, keukengerei, een stofzuiger, een diepvrieskist, een commode, een bed... Hulstenaren Arnold en Marianne Verbist hebben het opvanghuis opgezet vanuit hun christelijke achtergrond. ‘Omdat ieder leven belangrijk is.’ „Wij willen voorkomen dat jonge meiden, omdat ze nergens terecht kunnen, besluiten tot abortus”, verklaart Arnold Verbist. „Naar geloof kijken we niet.” Er zijn wel voorwaarden: de jonge moeders moeten bereid zijn deel te nemen in een groep, openstaan voor begeleiding, enigszins zelfstandig zijn, toe willen werken naar zelfstandig wonen, niet verslaafd zijn, geen ernstige psychiatrische problemen hebben, (nog) geen kinderen hebben en redelijk Nederlands spreken.
Oefenbaby
Voorkomen is beter dan genezen. Met die gedachte in het achterhoofd heeft de
Goese school voor mbo De
Wissel een oefenbaby aangeschaft. Op De Wissel wordt elk jaar zeker één
leerlinge onbedoeld moeder. Leerlingen kunnen met de oefenbaby ervaren hoe
de dagelijkse praktijk van het moederschap is. Binnen in de oefenbaby zit
elektronica die het mogelijk maakt precies te zien wat de ‘oefenmoeders’ met
hen gedaan hebben. Is de baby op tijd verschoond? Heeft hij voldoende te
eten en te drinken gehad, genoeg slaap, genoeg aandacht? Ook is via de
computer terug te lezen of de baby te ruw behandeld of ‘geschud’ is, en of
het kwetsbare nekje goed ondersteund is.
Docente Zorg en Welzijn Miranda Ouweneel geeft les aan De Wissel, een school voor praktijkonderwijs in Goes. „Ze hebben een veel te rooskleurig beeld van het moederschap. We hadden hier een 14jarige leerlinge die zwanger was. Andere leerlingen vonden dat geweldig. ‘Ooo, wat leuk! Ooo wat zal het schattig zijn, als het kindje er straks is! Elke dag moest ik zeggen dat het echt niet alleen maar leuk is, en ook zwaar.”
De Axelse Gabriëlle Dimbourg (17) dacht ook dat baby’tjes alleen maar leuk en schattig zijn, tot ze de oefenbaby een weekend meekreeg.
„Toen kwam de nacht. Als je net sliep, werd hij wakker. Om het kwartier, om het uur. En mijn ouders maar lachen, in hun bed. De laatste nacht was zo heftig dat ik met mijn knuffels ben gaan gooien. Ik kwam doodmoe op school. Nu zeg ik: éérst studie, werk, eigen huis. Dan pas kinderen.”
Bianca Govers (17) ook Kapelle hoort het aan.
„Ik krijg hem vandaag mee. Van donderdag tot maandagmorgen moet ik voor hem zorgen.
Het is de tweede keer al, want de eerste keer ging het niet goed. Het was zwaar, helemaal niet zo leuk als ik gedacht had. Baby’s zijn niet schattig, vooral niet als ze de hele nacht doorjanken.”
Het is de tweede oefenbaby in Zeeland. Ook MEE , de belangenorganisatie voor mensen met een verstandelijke of lichamelijke beperking, heeft er één: Mees. Die van De Wissel heeft nog geen naam. „Wij hebben onder de leerlingen een verkiezing uitgeschreven. Maandag 21 juni is er na de pauze beschuit met muisjes: dan wordt bekendgemaakt welke naam gewonnen heeft.”
Lein
Een sms’je, op vrijdag 4 juni. Van Lena.
‘Lein Jansen is geboren op 3 juni, 21.20 uur en hij is perfect! 3720 gram weegtie.
En Mick en ik zijn supertrots op onze zoon!’
Een paar dagen later, op kraambezoek. De kleine Lein slaapt in de box. Er is
beschuit met muisjes. Op de bank zit de trotse vader. Hij is erbij geweest,
bij de bevalling, hij heeft zelf gezien hoe het hoofdje van zijn zoon
tevoorschijn kwam. Hoe dat was? „Leuk!”, zegt Mick.
Lena, alweer bijna net zo slank als vóór de zwangerschap, oogt wat vermoeid. Wat wil je: de telefoon stond niet stil, en de baby moet z’n ritme nog vinden. Het is tijd voor borstvoeding en een slaapje, zegt Lena. Ze gaat naar boven, Lein in de armen, Mick in haar kielzog.
„Ze zijn nog zo jong”, zegt haar vader, die beneden bij het bezoek blijft. Zeker, ze hebben veel méé en ze houden van elkaar. De basis is goed.
„Maar ze zijn wel jong”, herhaalt hij nog maar eens. Boven huilt de baby.

















