Er zat niets anders op, ook ik moest in mijn prille jeugd naar school.
Er waren blijkbaar van die wetten waar ik geen weet van had. Het begon wat mij betreft met de bewaarschool. Alle kinderen zaten in één ruimte en dat waren er best veel, want de naoorlogse aanwas had al een flinke start gekregen. De jongste was Theo, die was twee jaar. Hij kon al wel met zijn armen over elkaar zitten, maar hij was toch onrustig. Iedereen voelde met hem mee. Een van de jongetjes was Wimpie. Op een dag kwam hij naar me toe. Hij deed wat stiekem. Dat was niet ongewoon, want in die tijd moesten kinderen altijd uitkijken voor de toerekeningsvatbaarheid van volwassenen. Wimpie haalde iets uit zijn broekzak te voorschijn, een propje krantenpapier dat hij voorzichtig open maakte. Hij had gehoord dat ik lezen kon en inderdaad; ik las met wat moeite een verhaal als Wim en de maan of De kip en de haan, maar wat hij me liet zien was andere koek. Het bleek een stukje beeldverhaal te zijn dat hij uit een krant had geknipt. Het ging over Tom Poes en Olivier B. Bommel. Met de namen had ik al moeite. Gelukkig kwam juffrouw De Bont tussenbeide want we moesten stil zijn, anders konden we de juf niet meer horen. Maar het stukje krant van Wimpie K. had me toch wel nieuwsgierig gemaakt en ik moet nu nog altijd aan Wimpie denken als ik weer iets over Tom Poes of Bommel verneem. Onlangs ook weer, toen ik vernam dat het Letterkundig Museum het archief van Toonder in beheer heeft gekregen. Drie tentoonstellingen worden voorbereid. Ik hoop dat Wimpie nog leeft en dat hij erheen kan gaan en dat hij liefhebber van die verhalen is gebleven. Of misschien leest hij ergens stilletjes Tom Poes en de Blikken Mannen of De Bovenbazen, een heel actueel verhaal dat over het bij elkaar schrapen van geld gaat.