'Het komt nooit meer goed', zei mijn vader, die terugdacht aan zijn eiland Walcheren van voor de oorlog: een kreekruggenlandschap met oneffen terreintjes, veel heggen, laantjes, paadjes, oude bomen, vrije duinen. Maar de dijken die men in oktober 1944 met groot geweld had weggebombardeerd, waren een dik jaar later zo'n beetje weer hersteld en het land werd weer droog.
Er kwam een ruilverkaveling, er kwamen grotere, moderne akkers met rechte sloten. Ik herinner me kamillen en distels. Sommige boeren gingen weg naar andere streken. Anderen pakten, voor zo goed en zo kwaad als dat ging, het leven weer op. Mijn vader timmerde plankjes voor de ramen, want glas was er niet. Hij maakte zelfs speelgoed van sloophout voor ons. Mijn moeder maakte van oude kleren weer nieuwe. Ik kreeg een militair aandoend windjack. Het eten was schaars. We plukten een enkele keer wel mosselen van de paalhoofden, die waren tenminste niet op de bon. Ik moest naar school om te rekenen en om met een slechte pen aan schoonschrijven te doen. En om de catechismus te leren. De eerste vraag was meteen al een moeilijke: Waartoe zijn wij op aarde? Gelukkig stond het antwoord erbij. We hadden een fietsje, een remloos doortrappertje. Het had geen voorband, maar mijn vader boog een stuk massief rubber om de velg en zette het met ijzerdraadjes vast. Ik leerde fietsen, reed voorzichtig blokjes, er waren veel hobbelkeien en slechte stukken weg. Verkeer was er nauwelijks. Een paardenwagen misschien of een stootkar. Op de hoek van de Molenstraat en de Bakkersgang viel ik hard. Maar ik stond weer op en fietste door. Het bloed op mijn knie was even rood als het fietsje. Kortom, het normale leven kwam weer op gang.














