De peren hebben mijn voorkeur. De nogal harde vruchten werden gewassen en in stukken gesneden, van pitten en stelen en slechte plekjes ontdaan en daarna gingen ze in een grote pan met wat water.
Daarin werden ze tot moes gekookt. De lichtgele brij liet ik een tijdje staan, want een stuk kaasdoek was niet zomaar gevonden. De doek hing ik met touwtjes aan de vier hoeken op, ik zette er een pan onder en stortte de prut in de doek. Er liepen meteen een paar druppels uit.
Na een nacht en een kleine dag van uitlekken lag er in de doek een roze substantie dat op een te vroeg geboren biggetje leek, maar we hadden ook zo'n twee liter sap met een oranjeachtige kleur van donkere honing, en daar ging het ons om.
Het sap bracht ik aan de kook en ik strooide er de nodige geleisuiker in.
Het resultaat was een rijtje van acht potjes met een mooie heldere kleur gelei en een frisse smaak. Van de gelei kun je ook membrillo maken, een soort doorzichtig snoepgoed dat je in fijne suiker moet rollen.
Maar ik liet het bij gelei. Op de potjes kwam te staan: kweepeergelei oktober 2011.
Waarom ik dit opschrijf?
Omdat het een heel speciale voldoening geeft als je zelf iets fabriceert en zeker als het er mooi uitziet en nog prima smaakt ook.


Sorteer reacties











