Er zijn kinderen die niet goed leren lopen. Niet omdat ze ziek zouden zijn en het in beginsel niet zouden kunnen, maar omdat ze onvoldoende de kans krijgen of aangezet worden om te oefenen. Ze worden altijd maar weer gedragen, in een karretje voortgeduwd of op een andere manier vervoerd.
Zo kan het gebeuren dat ze het te voet gaan als abnormaal en ongemakkelijk gaan beschouwen en zelden voor hun plezier een langere afstand wandelend afleggen. Er zijn kinderen die nooit goed leren lezen. Niet omdat ze het niet zouden kunnen, maar omdat ze onvoldoende aangespoord worden om het te doen. Of omdat er onvoldoende boeken voorhanden zijn, of omdat de omgeving niet meewerkt en ze van lezen worden afgehouden. Ze zullen, omdat ze de techniek van het lezen niet genoeg onder de knie hebben nooit graag naar een boek pakken of een lang verhaal willen lezen.
Hoe kinderen de eerste passen zetten, is spannend om te zien. Een kind de eerste woorden te zien lezen is hartverwarmend. Eerst worden de letters herkend, de letter b bijvoorbeeld, de o, nog een o, de m, de letters worden gepreveld en aan elkaar geplakt en dan ontstaat er als bij toverslag het woord: boom. Boom!
En in het hoofd van het kind licht dan het begrip boom op, een woord dat alle bomen van de wereld omvat. En zo leest het kind ook: vis. Waarbij alle vissen van de wereld worden aangeduid.
Het lezen begint met kleine woorden. Boom, vis, vuur, aap, beer, zus. Moeilijker woorden komen later. Het leren lezen heeft iets magisch. Een geheel nieuwe wereld gaat open.
En als een kind het lezen goed leert, zal het kunnen beginnen aan een lange tocht in een wereld vol mooie, leuke, leerzame ontroerende, spannende, ongehoorde dingen. Lopen en lezen lijken dus wel een beetje op elkaar.


Sorteer reacties











