Kleinzoons Willem en Frank (nu vijf en vier jaar oud) wilden graag de gele pijltjes volgen en de route bracht ons langs de oude waterwinkanalen waarin donkere visjes zwommen. We zagen een pad, bruin als oud leer, en over een zandpad liepen grote rode bosmieren. De jongens zijn het wandelen in de natuur gewend en ze sprongen over mieren en doorntakjes heen. Ze keken naar de holletjes van de konijnen en naar de in de zon gedroogde keuteltjes die erbij lagen. De konijnen zagen ze niet, die hielden zich natuurlijk gedeisd.
Midden in het gebied ligt een dennenbos en daar weer middenin staat tegenwoordig een houten uitkijktoren. We beklommen de tamelijk nieuwe houten trappen. Eenmaal boven kon je over het bos heen kijken. Het rook er naar hars. De lucht was blauw met enkele stapelwolken erin. In de verte zag je de donkerblauwe zee, waar een zeilbootje met bolle zeilen in voer. We besloten naar het strand te gaan en we liepen door de duinen. Ik zag geelhartjes en duinviooltjes die lange wortels moeten hebben.
We kwamen uit op het naaktstrand, waar haast niemand was. We zagen er één mijnheer lopen. Hij was ontkleed, maar hij was ook weer niet echt naakt te noemen, want hij had sokken en wandelschoenen aan en hij droeg een rugzak waarin zijn kleren zaten. In feite droeg hij dus toch wel kleren. De jongens letten niet op de man.
Frank wilde schelpen zoeken en Willem, die een emmertje had meegenomen, maakte zandtaartjes. Daarna gingen de twee over het strand naar de zee rennen; ze verdwenen daarbij haast uit het zicht.
Nergens in de verre omgeving heb je zulke brede stranden als daar. Ze kwamen terug met een emmertje zeewater om de zandtaartjes nat te houden en schelpen om ze te versieren. Zo vierden zij de zomer.














