Een roodborstje zit op de tuintafel. Ik neem aan dat er toch niets te eten valt.
De glazen wespenval die met een touwtje aan de tak van de perenboom hangt, schommelt wat heen en weer. Er zit nog geen limonadesiroop in en dus zitten er nog geen wespen in. Het is augustus en toch zijn de wespen nog niet echt lastig. Een paar zweefvliegen hangen in het ochtendlicht.
Op de tafel voor mij loopt een mier. Geen idee hoe hij daar komt en wat hij zoekt. Hij loopt een rondje om het koffiekopje, rent dan naar de ochtendkrant. Loopt over een artikel dat gaat over de vorming van coalities met het oog op een nieuw kabinet. Ik kan me niet indenken dat zo'n mier daarin geïnteresseerd is. Toch loopt hij over de krant heen en weer alsof hij leest en dan loopt hij over een bericht over Afghanistan.
Waar wil het diertje eigenlijk heen? En wat een energie. Geen idee vanwaar hij komt. Hij lijkt wel een beetje op een vluchteling. In ieder geval op iemand die de weg helemaal kwijt is en niet weet waar hij het moet zoeken. Ik laat hem maar aan zijn lot over, wetend dat ik hem wel zal vergeten.
Buiten is het roodborstje weggevlogen. Op de tegels van het terras kruipt een tuinslak. Weer zo'n verloren ziel. Je snapt niet dat hij ergens heen wil, terwijl hij zijn huis op zijn rug draagt. Ver komt hij niet.
Opeens is daar een lijster die met één slag van zijn snavel het huisje kapot timmert, met zo'n kracht dat de slak een eindje weg vliegt. Later zie ik alleen nog het treurige slijmsliertje op de tegels. Het blinkt zilverachtig in de ochtendzon.














