Deze zomer zag ik hier maar weinig vlinders, een atalanta, een paar blauwtjes, nogal wat uiltjes een koolwitje en een citroentje. Steeds als ik die zie, moet ik denken aan iets wat ik ooit zag en wat ik niet licht zal vergeten.
Ik reed met iemand mee ergens door het westen van Oeganda. In de verte blauwe
bergen, waar de weg zich naartoe kronkelde, in de heldere lucht grote
stapelwolken, erg wit in het zonlicht. Daaronder werd de lucht opeens grijs,
het leek of een donkere band over de horizon werd getrokken en even later
landden er honderden insecten op de voorruit, zodat we haast niets anders
zagen dan een massa gele vlinders. De ruitenwissers verjoegen er wel een
aantal, maar ze zorgden ook voor een kerriegele smurrie en daarom gingen we
maar langs de weg in het gras staan.
We gingen de auto uit om naar dit wonderlijke verschijnsel te kijken en overal
zagen we gele vlinders, ze zaten op het lange gras en op de struiken en ze
kwamen ook op onze hoofden en armen zitten. Ze deden langzaam hun vleugels
open en dicht, alsof ze ons tijd wilden geven om ze eens goed te bekijken.
Ze waren geel met hier en daar iets zwarts. Ik kende de soort niet. De vlinder
zag er tamelijk gewoon uit, maar de grote hoeveelheid ervan maakte het
bizar.
Aan de lange wolk leek geen einde te komen. Waar kwamen ze vandaan? En waarom
gingen ze zowat allemaal tegelijk op trektocht?
Maar ja, hebben wij mensen ook niet zoiets? Zeker als het vakantie wordt. We
worden dan ook opeens onrustig en willen er vandoor, liefst ver van huis,
alsof het thuis maar zozo is. En dan trekken we met duizenden in lange
colonnes weg naar het geeft niet waar, naar elders waar het beter is en waar
het grote geluk misschien kan worden gevonden.














