In de vijver telde ik veertien oranje vissen. Ze zorgden voor luchtbelletjes en zwommen dicht aan de oppervlakte. Het was warm weer en in en bij het water gebeurde van alles. Even liet een salamander zich zien, er kropen waterlopers over het wateroppervlak. Soms vielen ze naar elkaar uit en ik neem aan dat ze elkaar opeten als ze de kans krijgen.
Boven het water schoten af en toe waterjuffers heen en weer, soms in
tandemhouding. Ik houd wel van libellen en al die diertjes die erop lijken.
Ooit zag ik een larve over een plantenstengel het water uit kruipen. Dik was
hij en hij had duidelijk een paar vleugelstompjes. Hij bleef een tijd in de
zon zitten en toen gebeurde er, na geruime tijd, iets verrassends. Zijn rug
scheurde open en langzaam kroop er, af en toe kronkelend, een dier uit, een
flinke libel, zijn vleugels waren nog slap en verfrommeld. Het duurde niet
lang of hij had de aders in de vleugels volgepompt. Nog even bleef hij
zitten, om de vleugels hard te laten worden.
Hij zag er prachtig uit, blauwgroen, grote ogen. De vleugels trilden wat,
misschien was het de zomerwind.
Oefenen deed hij niet. Naar school of naar cursus hoeft zo'n diertje niet. Hij
weet al precies wat hij moet doen. Wonderlijk zijn ze wel, al die
wetmatigheden. En daar ging het diertje al, pijlsnel en zelfverzekerd, de
zomerse blauwe lucht in.
Op de plantenstengel zat nog zijn vroegere velletje in de vorm van een larf.
Rond diezelfde tijd zag ik ook een watertor wegvliegen, die op het droge was
geraakt. Hij maakte een cirkel en dook weer in het water.
Ik wist niet dat watertorren konden vliegen. Je ziet ze meestal alleen maar
door het water zwemmen. Misschien wist de tor het zelf ook niet, was hij
verbaasd dat hij zo maar op kon stijgen om even later weer in het water
terug te zijn.














