Olifanten zijn dieren. Niet alle dieren zijn olifanten. Sprinkhanen zijn dieren. Om precies te zijn: het zijn insecten, geen vogels. Niet alle insecten zijn sprinkhanen.
Oorwormen zijn insecten, geen wormen. Wormen hebben geen oren. Steuren zijn vissen, maar niet alle vissen zijn steuren. Walvissen zijn dieren, geen vissen. Varkens zijn dieren. Maar niet alle dieren zijn varkens. Niet alle dieren zijn gelukkig. Varkens kun je ruimen. Mensen zijn dieren, maar niet alle mensen zijn varkens. Mensen zijn bouwvakker of kapper of bakker of politieagent of priester. Niet alle politieagenten zijn moordenaars. Niet alle pederasten zijn priester. Niet alle pleegvaders zijn pedofielen. Er wordt wel gezegd dat alle mensen kunstenaar zijn. Niet alle mariniers hebben manieren. Miereneters zijn dieren. Hun naam zegt het al: ze eten het liefst mieren. Mensen zijn alleseters. Zeeuwen hebben zelden mee-eters. Zeeuwen zijn zuinig en daarom zijn er steeds minder van. Zeeuws-Vlamingen zijn niet zuinig, maar zij tellen niet echt mee. Niet alle onderwijzeressen die niet kunnen rekenen zijn onderbetaald. Niet alle criminelen zijn kaal. Niet alle toeristen zijn terroristen. Piraten zijn vrijbuiters en daarom laten we hen vrij. Vrouwen zijn mensen, maar niet alle mensen zijn vrouwen. Niet alle vrouwen zijn mutsen. En omgekeerd, niet alle mutsen zijn vrouwen. Niet alle rechters zijn doetjes. Niet alle huwelijken zijn moetjes. Niet alle ambtenaren slapen zittend. Niet alle koks dragen lange messen. Niet alle Nederlanders zijn bekend. Niet alle bekenden zijn Nederlander. Niet alle rupsen worden vlinders. Niet alle maagden zijn mager. Niet elke Moslim is slim. Niet alle autochtonen rijden auto. Niet alle soldaten zijn mietjes. Boeren weten precies wanneer het gaat hagelen of regenen, het zijn weerprofeten de boeren. Daarom klagen ze nooit. Boeren zijn ook mensen. Niet alle mensen zijn boeren. Niet alle mensen zijn hetzelfde. Je hebt mensen en potloden.














