's Avonds stond ik op het station van Rotterdam. Daar was het ook een zootje. Op een schutting stond: Hier bonkt het nieuwe hart van Rotterdam. Gebonk was er in ieder geval, omdat men de overkappingen aan het slopen was. Omdat ze gemaakt zijn van stevig gewapend beton, was er onder meer een zwaar apparaat nodig dat eruit zag als de tengel van een reusachtige krab. De grote schaar knipte de ijzeren staven in het beton door. Op een bank, tussen lege drinkbekers en kranten zaten een paar jongens en ik vroeg waarom ze de overkappingen afbraken, ze leken me nog stevig. Dat weten we niet, zeiden ze, maar het oog wil ook wat.
Ook de trein naar Vlissingen lag vol rommel en het was alsof men met opzet kranten had rondgestrooid. Omdat ik niet in een beestenstal wilde zitten en me ergerde, ben ik er maar een stel gaan oprapen. De conducteur die langs kwam, vond de rommel gewoon. Ze staken, zei hij en haalde zijn schouders op. Blijkbaar had hij niet veel met die schoonmakers te maken en stond het schoonhouden van de trein niet in zijn functieomschrijving.
In Vlissingen waren de prullenmanden nog niet vol en ik kon er een stapel kranten in proppen. Het waren vooral van die gratis kranten die rondslingerden. Ik denk dat men maar met die gratis verspreiding moet stoppen. En dat die schoonmakers er de brui aangeven kan ik me wel indenken. Het is ontmoedigend te weten dat je werkt voor een publiek dat alles maar wegsmijt en rondstrooit met de gedachte: dat wordt allemaal vanzelf wel opgeruimd.














