In Nederland was het spoorwegnet in de war door blikseminslag maar we kwamen toch vroeg in Zeeland aan.
Thuis keken we naar de boom die was omgewaaid en die net niet op ons huis was gevallen. Ik las in een krant dat door de stormwind een van de masten van het V.O.C. -schip de Batavia gebroken was. Raar, want ik had een paar dagen daarvoor nog de wrakstukken van de Batavia en nog wat opgedoken stenen, munten en kanonnen gezien en gelezen over de verschrikkelijke geschiedenis van dat schip.
Op de televisie hoorde ik mevrouw de commissaris van de koningin zeggen dat Zeeland dun bevolkt was, en dat we ons zorgen moesten maken, wat wel vreemd klonk na ons bezoek aan West-Australië dat zeer dun bevolkt en welvarend is.
Maar ik lette al niet meer zo goed op wat er zich allemaal in de wereld en in Zeeland afspeelde, want ik had inmiddels steeds meer last van een kies gekregen en de pijn werd zo hevig dat ik me eigenlijk enkel nog maar met die pijn bezig kon houden. Mensen die nu pijn hebben, weten wat ik bedoel. Je wordt als het ware steeds weer naar de pijn toe gezogen.
Gelukkig was er op het goede moment de tandarts die kordaat korte metten maakte met de kies. Hij legde hem op een wit papiertje zodat ik de kies goed kon zien. Ik keek naar het onding en haatte het uit het diepst van mijn hart. Dat is wel merkwaardig, het was immers jaren lang een stukje van mezelf geweest.














