De eerste zwerver die ik zag, noemde men toen een landloper. Hij liep op blote voeten. Met zijn tenen raapte hij sigarettenpeukjes op.
Veel later zag ik ergens voetsporen in de sneeuw. Ik volgde ze en kwam bij een oud schuurtje in het veld. Het was half overwoekerd door klimop en braambossen. In het schuurtje zat een man op stro en oude kranten. Hij las een oude krant en vroeg of ik iets te eten had. Ik had wat pepermunt voor hem. Zo'n man noemden we toen ook nog een landloper.
Later zag je steeds meer zwervers. Soms op de oude veerboot tussen Breskens en Vlissingen, maar die veerboot is verdwenen.
Of in de stationshal van Vlissingen. Maar daar zijn nu geen bankjes meer en het station gaat dicht. Er sliepen er ook wel eens een paar in een stel roestige buizen bij de binnenhaven. Als bed diende een houten pallet en stukken karton. Zo'n buis leek me tochtig. De buizen zijn weggehaald.
Er hield zich vroeger ook wel een man op in de toiletten van de bibliotheek, maar die werd steeds verzocht om 's avonds de bibliotheek te verlaten.
Er zijn nog steeds zwervers en men probeert ze een onderdak te geven, anders moeten ze in de duinen of in een kartonnen doos slapen. Hun aantal neemt toe.
Soms zijn het mensen die de samenleving een rug toekeren, soms is het de samenleving die hen uitspuwt omdat ze excentriek zijn, moeilijk of grillig gedrag vertonen, zodat niemand meer iets met hen te maken wil hebben.
Het wordt steeds kouder. Ik hoop dat ze ergens een plekje weten te vinden.


Sorteer reacties











