Tegenwoordig zie je dat meisjes hun fietsen versieren met plastic bloemen. Versierde fietsen zagen we voor het eerst na de bevrijding.
De fietsen werden omwikkeld met rood-wit-blauw crêpepapier en tussen de spaken werd oranjepapier gevlochten. Soms bevestigde men aan het stuur een soort ereboogje.
Na de bevrijding kwam ook de fiets van mijn moeder weer te voorschijn. Ze had er behoedzaam mee om moeten gaan en de fiets nogal eens onder takkenbossen moeten verstoppen. Bepaalde Duitsers speurden naar fietsen. Het fijne wist ik er niet van. Ik vond het toen wat vreemd dat mannen met alle geweld een damesfiets wilden hebben.
Toen haar twee zoontjes te groot werden om ze bij haar op de fiets mee te nemen, gingen we vaak lopen. Vanuit Vlissingen over de dijk langs het kanaal naar de noodwinkels in Middelburg en terug. Of naar de veerboot, want we gingen wel eens naar Breskens. Het eten was schaars of op de bon en daarom gingen we wel eens eieren halen aan de overkant. De veerboot was altijd wel spannend. Meestal moest je aan dek tussen de auto’s staan. We werden nogal eens nat gespetterd, omdat er vaak wat wind stond.
In Breskens was ook wel wat te zien. Kapotte huizen en noodwoningen en hoogst interessante bunkers, maar wij gingen naar de boer om eieren. Hij had roestbruine kippen, met rode kammen en gele oogjes, maar mijn moeder kreeg witte eieren die in oude kranten werden verpakt. Heel voorzichtig gingen we naar huis. Daar werden de eieren uitgepakt en zachtjes in een pan met kalk gelegd voor later.
Volgens mij fietste mijn moeder niet zo graag. Ik mocht in ieder geval steeds vaker haar fiets lenen, al kon ik, als ik op het zadel zat niet bij de pedalen. Daarom ging ik maar op de trappers staan. Het was een goede fiets zonder veel versiering of franje en daarmee raakte ik steeds verder van huis.














