Politici houden er rare gewoontes op na. Als ze in de Kamer zitten, zijn het keurige mevrouwen en meneren, die deftige taal spreken. Maar zodra ze in verkiezingstijd het Binnenhof verlaten om zich onder het gewone volk te mengen, beginnen ze vreemd gedrag te vertonen. Dan werpen zij stropdassen en parelkettinkjes af, hullen zij zich in sportieve jacks en delen op tochtige marktpleinen foldertjes uit. Dan verschijnen zij plots in plaatsjes, waarvan zij niet het geringste vermoeden hadden dat die bestonden.
Denken ze nou echt dat ik gek ben? Denkt Job nou heus dat ik hem premier zou willen maken, omdat hij midden op straat quasi spontaan een Molukse mevrouw kust? Verkeert JP werkelijk in de veronderstelling dat ik op hem zou stemmen omdat hij een T-shirt met schuttingtaal aantrekt of zich parmantig in een raceauto laat fotograferen?
'Ha fijn, verkiezingen!', dacht ik toen Wouter Bos en de zijnen in februari het zoveelste kabinet-Balkenende in het Afghaanse woestijnzand lieten bijten. De lol was er snel af. Ziek ben ik van al die tv-debatten, waarin de politieke kopmannen en -vrouwen welles-nietes deden. Moe ben ik van de debat- en lichaamstaaldeskundigen die het gedrag onzer politici voortdurend analyseerden. De buik vol heb ik van de opiniepeilers die elke aarzeling, elk kuchje, elk hakkeltje in zetels trachtten te vertalen.
Ik wens het komende kabinet (van welke samenstelling dan ook) veel zitvlees toe. Dan blijft dat hele gedoe ons vier jaren bespaard en hoeven we bij DWDD voorlopig niet meer te luisteren naar vals zingende Kamerleden.














