Loop ik de supermarkt uit, duw ik mijn overbeladen boodschappenkarretje moeizaam over het parkeerterrein, zie ik een man achter het raampje van een zilvergrijze Toyota Starlet hevig in mijn richting gebaren. "Wat doet er op?", denk ik. Niets.
Schouderophalend duw ik mijn boodschappenwagentje verder. Hoor ik de man driftig tegen het autoraampje tikken. Verbaasd draai ik me om en zie hoe de Toyotaman enthousiast naar me zit te zwaaien. Aarzelend steek ik mijn hand op. De man springt zijn auto uit, vouwt zijn handen rond zijn mond en roept: "Hé Kees, hoe-is-t?" Kees? Geen Kees te bekennen. "Jij bent toch Kees?", roept hij in mijn richting. "Nee", zeg ik, "ik ben Willem." "Goh", kijkt de man teleurgesteld, "je lijkt sprekend op Kees". "Moet ik dat als een compliment opvatten?", vraag ik. "Ja", zegt de man, "want Kees is mijn beste vriend". "Nou, zo heel goed ken je hem kennelijk niet", antwoord ik gevat en begin mijn boodschappen in mijn auto te laden. Vanuit een ooghoek zie ik hoe de man licht beschaamd achter het stuur van zijn Toyota kruipt en het parkeerterrein afscheurt.
Het gebeurt me wel vaker dat ik voor iemand anders word aangezien.
Zo wil men mij nogal eens verwarren met Youp van 't Hek. Niet dat ik net zo grappig ben (was dat maar waar!), maar qua fysiek hebben we wel iets van elkaar: vrij klein, beetje dikkig, we dragen ongeveer hetzelfde brilletje en bezoeken - zo lijkt het althans - dezelfde kapper.
Dat leidt soms tot komische tafereeltjes.
Loop ik laatst door de Goese binnenstad, hoor ik achter me: "Hé Youpie!" Ik voel een forse hand op mijn schouder neerdalen en ik kijk in het vlezige gelaat van een vijftiger, die al snel zijn vergissing ontdekt. "Jij bent Youpie helemaal niet", zegt hij op beschuldigende toon. "Jij bent die vent die van die stukkies in de PZC schrijft."
En dát was, weet ik heel zeker, beslist niet als compliment bedoeld.