Over die laatste schreef ik als tienjarige een opstel. Op onze stadsetage hielden wij, zo blijkt uit het stilistische hoogstandje, een indrukwekkende menagerie. Kippen en een eend (op het balkon), katten, parkieten, kanaries, schelpdieren (in het bad?), een hond en een Syrische goudhamster.
'Zij is drie dagen een kijkje onder de vloer gaan nemen en werd op maandag weer gevonden', lees ik in het beduimelde schriftje. 'Om de drie dagen moet hij in een schoon hok zitten, met wat lapjes om zijn knaaglust te bevredigen. De kussens en het kleed van de bank alsmede het tafelkleed en de knaaglapjes hebben schade ondervonden door haar.'
Dat hij/zij ook een meter muur wegvrat, die mijn moeder moeizaam zelf weer dichtplamuurde, dat staat er dan weer niet in.
Mijn dochter heeft op haar beurt een hond, een kat, goudvissen en enkele ratten 'versleten'.
Met de goudvissen was vooral de kat erg blij en onze ratten hadden blijkbaar een teer gestel. Op een dag moest er weer een rat naar de dokter. De buurman gaf ons een lift. Hij was zo vriendelijk de rat even vast te houden toen ik bij de apotheek iets op moest halen. Bij mijn terugkeer zat buurman woest te gebaren achter de autoruit. "De rat is ontsnapt", schreeuwde hij door het raam, dat hij angstvallig gesloten hield.
Ergens in de ingewanden van zijn Citroën lachte onze rat in de dagen die volgden hartelijk om kaas en muizenvallen. Tot ik, met bezwaard gemoed en onder druk van de buurman, gif strooide dat hij wél bleek te lusten.
Ik herinner me niet meer waar de monteur hem terugvond. Maar de gepeperde rekening van de garage, wegens opgesnoepte bedrading - daar denk ik elke Dierendag even aan terug.


Sorteer reacties











