Als ik de deur open, nog nahijgend van de fietstocht, werpt ze me een stralende lach toe. Haar tanden! Had ik maar tanden zoals zij: smetteloos wit en ingebed in zachtroze, adembenemend tandvlees. Ze doet haar mond dicht, wat jammer is, en ik ga in de stoel liggen.
"En, hoe gaat het?", informeert ze belangstellend. Wat ik nu ga
zeggen is belangrijk, want voorlopig zal ik geen normaal woord meer uit
kunnen brengen. "Vechten tegen de bierkaai", zeg ik dus snel, en
open mijn mond om haar haar werk te kunnen laten doen.
Haar hand zweeft over de werktuigen naar de pocketsonde en steekt die diep in
mijn tandvlees. "Hoe gaat het met je plakbeheersing? Gebruik je je
tandenstokers, tandfloss en ragers wel?", vraagt ze streng, pakt de
excavator en buigt zich over mijn wijd opengesperde mond, prikkend naar
tandsteen. "Arghl", gorgel ik. Supragingivaal heb ik uiteraard
voor mijn bezoek al zoveel mogelijk verwijderd, met drie poetsbeurten en
tussendoor knalroze plakverklikkers, maar ik weet zeker dat het een kwestie
van seconden is voor ze subgingivaal tandsteen ontdekt, ergens onder het
tandvlees. Auw! Daar zat iets. "Goblooorgh!" kreun ik. Ze veegt
onverstoorbaar het bloedbesmeurde haakje af en vervolgt dreigend: "Want
als je pockets niet minder diep worden, moeten we weer flappen!" Tranen
springen in mijn ogen; ze krabt net gemeen over de gevoelige tandhals van
een premolaar. Smekend kijk ik haar aan, in de hoop dat ze de boodschap in
mijn ogen leest: 'Nee, nee, niet flappen! Ik beloof dat ik direct nieuwe
driehoekige tandenstokers zal inslaan, tandfloss met plakindicatie en ragers
2,4 tot en met 5 mm, dat ik weer drie maal daags de Oral-B profcare
elektronische tandenborstel over mijn tanden zal laten glijden met 8000
roterende en 40.000 pulserende bewegingen per minuut, maar ALSTUBLIEFT geen
flapoperatie meer!"
Ze heft de zoemende polijstmachine. "Bijna klaar. Mond open!"
"Urgh", zeg ik dankbaar.














