"Kijk eens wat ik heb gevonden!", zei ik verheugd. Hij wierp er een blik op en vroeg toen oprecht verbaasd: "Vind je dat mooi?"
Ik keek verongelijkt naar het lampje. Geval was inderdaad een betere benaming. Een houten plankje vormde de basis. Daarop was een koperen haak bevestigd. En aan die haak, in miniatuur, een mijnwerkerslamp.
"Kijk", zei ik, in een bij voorbaat al kansloze poging om mijn enthousiasme voor het geval op hem te doen overslaan, "Zie je die tekst, op dit koperen plaatje? Glück Auf. Dat is de mijnwerkersgroet. Dat zeiden de Limburgse koempels tegen elkaar als ze de schacht ingingen."
Dat soort dingen leer je, met een Limburgse ex-schoonvader die in de mijnen heeft gewerkt.
Glück auf! Glück auf! Der Steiger kommt! Und er hat sein helles Licht bei der Nacht, schon angezündt, hat's angezünd't. Es gibt ein'n Schein, und damit so fahren wir, bei der Nacht, ins Bergwerk nein.
Ik keek hem verwachtingsvol aan, maar niets. Mijn zoon kwam binnen. "Mooi lampje! Mag ik het op mijn kamer hebben?", riep hij. Ik keek triomfantelijk naar mijn wederhelft, maar die liet zich niet uit het veld slaan en zei kalm: "Klopt. Kinderen vinden dat mooi. Net als mensen waar een steekje aan los is, en oude mensen." Ik vroeg me af in welke categorie hij mij indeelde. "Jij", zei hij, "ziet het verschil niet meer tussen grappig en mooi. Als iets zo gek is dat je erom moet lachen, heet het opeens camp en is het okee. Maar móóí, dat is toch echt iets anders!"
Ik keek naar het lampje en zei koppig: "En toch vind ik het mooi."














