Ze liet deze woorden even bezinken en erkende toen met een lachje dat het waar was. Sinds die dag zijn we gewoon vriendinnen. Dat bevalt ons allebei beter. Want mijn oude huis, met honderden kieren, spleten, hoekjes en gaatjes, staat vol stofvangers. Háár huis is spic en span, smetteloos wit, met hier en daar een strak stuk design. Toen ik eens suggereerde of een hond niets voor haar was, trok ze met een vies gezicht haar neus op. Haren en hondenpoep, getver. Voor haar geen huisdieren, zei ze stellig. Maar vorig jaar, op een mooie lentedag, trok ze me met een geheimzinnig lachje mee naar haar kleine balkonnetje. "Ik word oma", zei ze stralend. "Kijk maar, achter die plantenbak." Het was het eerste jaar dat ze een plantenbak had hangen, hoog tegen het badkamerraam aan. Tussen kozijn en plantenbak had een duivenkoppel een nest gemaakt, en daar lagen nu eitjes in. Ze heeft ze gevolgd, tot het uitvliegen, maar daarna was het klaar. "Alles zat onder de poep. Ik heb flink geboend, met chloor", zei ze. Deze week werd bekend dat stadsduiven terecht ook wel vliegende ratten worden genoemd. Dragers van ziekteverwekkers die diarree, griep en longontsteking veroorzaken. "Heb je het al gelezen?", vroeg ik. Ze knikte, vol afschuw, en blikte naar de vensterbank waar ooit de duiven koerden. "Vieze beesten."


Sorteer reacties











