Van de Tweede Wereldoorlog heeft hij een eenvoudige voorstelling: de Joden waren de goeien, Hitler was de kwaaie pier en de wereld stond in brand.
"Dat is Hitler", zegt hij, en wijst naar een soldaatje met een pet op, dat zijn pistool op een denkbeeldige vijand gericht heeft. Ik kijk eens goed. Geen snor te bekennen. "Dat is Hitler", zegt hij nog eens, met overtuiging. "Kijk maar naar zijn pet."
Die wijsheid haalt hij uit een stripboek over de Tweede Wereldoorlog. Het dateert uit 1974. Mussolini tegen Hitler, in een tekstballonnetje: 'Maar ik heb zojuist gehoord, dat ze Rome bombarderen! Wij heben geen kans meer, Führer!" 's Avonds bestudeert mijn zoon het boekje met een ernstig gezicht. Stil lezen, noemt hij dat.
Ik heb mijn moeder er wel eens naar gevraagd, naar de oorlog. Dan vertelde zij dat haar broer lid was geworden van de NSB om te spioneren, maar dat niet eerst gemeld had aan de ondergrondse. In het dorp werd achter haar rug gefluisterd, dat haar broer een verraaier was. Als mijn moeder dat vertelde, moest ze altijd huilen.
Later in de oorlog, toen het voedsel schaars werd, werd zij naar een boer gestuurd waar ze zich kogelrond at aan bonen.
Als ik mijn zoon zie rondrennen met zijn pistolen, hoop ik dat zijn fantasie nooit werkelijkheid wordt. Dat zijn kinderen hem nooit hoeven te vragen, hoe het in de oorlog was. Nooit meer oorlog! Er gebeuren in vredestijd al genoeg afschuwelijke dingen.














