Excuus, Majesteit, maar ik denk dat ik vandaag maar lekker in mijn eigen huisje blijf en genoeglijk vanachter de televisie kijk hoe het volk u toejuicht en hoe u glimlachend de huldeblijken in ontvangst neemt. Voor mij is het hoogtepunt van deze week al geweest. Om precies te zijn, op woensdag 28 april.
Voorafgaand aan die datum had ik al zeker een maand elke dag bij het verlaten
van mijn huis een blik geworpen op de Japanse kers van de buren, waarvan de
takken half over mijn voortuin groeien. Een week geleden waren de donkere
takken nog bezaaid met dikke, ronde, roze knoppen. Eromheen hadden zich al
tere bruinrode blaadjes geplooid, jong en doorschijnend als vloeipapier.
Ik nam direct vrij op de dag dat ik verwachtte dat de bloemen zich zouden
ontvouwen. En jawel. Woensdagmorgen stond ik juichend onder de boom, die in
één nacht veranderd was in een grote, roze suikerspin.
Ik wist: zo mooi als vandaag zou de boom maar één dag blijven. Vanaf nu zouden
de perfecte, smetteloos roze trossen langzaamaan verwelken, met steeds meer
bruine randjes. Vanaf nu zouden elke dag roze bloemblaadjes naar beneden
dwarrelen en op de grond langzaam bruin kleuren, tot onze tuin bezaaid zou
liggen met een tapijt van vergane glorie, een riekende smurrie die nog weken
achtereen aan je schoenen zou blijven plakken.
In Japan wordt elk jaar als de kersenbomen bloeien, het lentefeest gevierd:
hanami (bloemenkijken). Massaal trekken de Japanners dan naar de parken toe,
om onder hun favoriete boom onmatig sake te drinken en te mijmeren over de
vergankelijkheid van schoonheid en jeugd en de sterfelijkheid van de mens.
Woensdag vierde ik hanami. In een hangmat onder de bloeiende kers in de
voortuin, nippend aan een glas wijn, starend naar de blauwe hemel, waartegen
de roze bloemen scherp afstaken. Tot de zon onderging.
Had u dáár maar bij kunnen zijn.














