Vandaag is het precies vijf jaar geleden dat mijn moeder begraven werd. Een terminale ziekte krijgen heeft één voordeel: je kunt zelf je begrafenis regelen, nog vóór je deze wereld verlaten hebt. Alleen: toen mijn moeder eenmaal wist dat ze een hersentumor had, was zij niet meer in staat om te vertellen met welk ceremonieel ze deze wereld graag had willen verlaten.
Mijn zuster en ik vervoegden ons dus bij de Haagse Fa. Kerkhof & Zn, een
steenworp van mijn moeders huis, om haar uitvaart te regelen. Het was de
derde generatie in deze professie. Dat boezemde vertrouwen in.
De regerende Kerkhof leek als twee druppels water op Peter R. de Vries, wat de
situatie nog onwerkelijker maakte. "Begraven of cremeren?", vroeg
hij. "Wat voor kist had u in gedachten? Weet u al waar uw moeder graag
begraven had willen worden? Een familiegraf of een enkel graf? Welke muziek?
Koffie met cake, of ook een broodje? En wenst u een priester om de dienst te
leiden?" Mijn zus en ik keken elkaar aan en dachten aan onze moeder,
die zwijgend in dat verpleeghuisbed lag, onmachtig antwoord te geven op deze
vragen. We kozen maar voor een hybride begrafenis. Iets tussen katholiek en
bohémien leek ons passend.
Deze week heb ik, tussen de stamppot en het toetje door, vast instructies
gegeven voor mijn eigen einde. Ik wens niet gebalsemd te worden, want
afscheid nemen van iemand die eruit ziet alsof-ie elk moment kan opstaan,
lijkt me niet bevorderlijk voor het rouwproces. In plaats van een grafkrans,
graag een aardig boeket van tuinbloemen of uit plantsoenen geroofde takjes.
Geen koffie en cake, maar een voedzaam pompoensoepje voor degenen die van
ver komen. Ook lijkt mij een zachte lijkwade fijner dan een kist.
Tot slot. Aan de trend van feestelijke begrafenissen doe ik niet mee. De
tranen mogen vloeien, er mag geweend worden.
De dood, daar is niets leuks aan. Ik mis haar nog steeds.


Sorteer reacties











