Maar als ik dan door de polder rij en iemand aan de linkerkant van de weg zie fietsen vlak voor een bocht waar manlief en mijn dochter al een keer, keurig rechts rijdend, bijna morsdood gereden zijn, voel ik de behoefte om zo iemand voor een wisse dood te behoeden. Ik rijd langzaam naar hem toe en draai mijn raampje open. Het is misschien een Engelsman, die even gedachteloos aan de verkeerde kant is beland, denk ik nog. Ik wijs naar de weg en zeg hem dat hij aan de verkeerde kant van de weg rijdt.
Als het een Engelsman was, is hij in ieder geval geslaagd voor zijn inburgeringsexamen. Met de duidelijke tongval uit deze streek, krijg ik allerlei verwensingen naar mijn hoofd geslingerd. Hij doet de oproep om toch vooral mijn mond te houden en op te sodemieteren.
In dat soort gevallen ben ik met stomheid geslagen. Daarna word ik boos. Ik weet het, met een dure term noemen we dat contra-agressie. Daar doe ik niets mee, want dan raken we met z'n allen nog verder van huis. Maar er gaan wel wat gedachten door mijn hoofd.
Dus even voor die fietser en alle anderen wat polderetiquette. Wij groeten elkaar in de polder, dat kan en mag zeer subtiel. Een vinger even optillen van het stuur is voldoende, nee niet de middelvinger, de wijsvinger. We remmen af als we langs fietsers rijden. We vliegen niet in een peloton langs oude dametjes of mensen met kinderen. We waarschuwen elkaar voor gevaarlijke situaties en we helpen elkaar. En als dat allemaal te ingewikkeld is dan vraag je maar een hometrainer voor Sinterklaas. Wat dacht je daarvan?














