Onze logee gromt en blaast als ze de hond ziet aankomen. Vrolijk kwispelend staat hij voor haar kooi om direct getrakteerd te worden op een haal als ie te dichtbij komt. Ze weet nog niet dat alléén hij, als het eropaan komt, het voor haar op zal nemen. Dat is zijn natuur als herder. Ik laat iets of iemand binnen, praat op een gezellige toon en dan weet hij dat het oké is. Hij zal de gast vervolgens tegen wie of wat dan ook verdedigen.
Zij weet dat niet. Ze is er niet aan gewend, dat schijn in de polder bedriegt. Zij draagt een roze halsbandje met strasssteentjes. Zij is een stadse dame. Ze is kort na haar geboorte afgereisd naar de grote stad. Daar is uiterlijk alles. Hier niet, zo is het kleine onooglijke poesje, dat haar gebaard heeft, de grootste jager uit de verre omtrek. Wij zijn daar blij mee, want op deze manier houdt ze alle ratten en muizen op veilige afstand. Oké, je moet dan af en toe wel de kadavers opruimen die ze voor de keukendeur legt. Maar een kniesoor die daarover zeurt.
Mijn kippen weten dat schijn bedriegt. Zij weten wie zij moeten vrezen. Als de hond komt aangestormd, kijken ze rustig om zich heen, maar als moederpoes haar hoofd om het hek steekt, vliegt alles in paniek uiteen.
Ik heb met mijn logee te doen, dus ik open de kooi en aai haar over haar kopje. Ze spint voorzichtig, het lieve schatje. Och gut. En haalt direct daarna uit naar mijn hand. Tja, het blijft natuurlijk een kat en een kind van haar moeder. Nog maar vijf weken…














