We zijn bovendien allen zeer uitgesproken en eigenwijze vrouwen. Ik weet niet, het zal iets genetisch zijn. Waar sprookjes de ronde doen over harmonieuze vrouwengemeenschappen waar ieder zijn respectieve hormonenstorm keurig op elkaar afstemt, is het bij ons juist het tegenovergestelde. Met alle pre-, post- en menstruele syndromen rest er voor hem een kleine week waarin het vrouwvolk rustig is. Een kleine week waarin we elkaar niet op de huid zitten en in elkaars haren vliegen.
Want laten we eerlijk zijn, leven en laten leven is niet het sterkste ding van de vrouw. Taal kan hun ding zijn, verantwoordelijkheid ook, praktisch inzicht en nog veel meer. Maar achteroverleunend vertrouwend op een immer goede afloop is toch dun gezaaid als competentie onder vrouwen. Ik ken weinig vrouwen die dingen kunnen laten lopen, schouderophalend negeren of na een fel conflict denken: zand erover. Als het manvolk architect is, steeds bouwend op vorige lagen, is de vrouw de archeoloog, die met een eyelinerkwastje alles wat ooit door aarde en zand was toegedekt weer minutieus opgraaft. Het bekijkt en nog eens bekijkt en vooral: het wil bespreken.
Als het hier dan weer eens op het kruispunt van oestrogene stromen gaat waaien, verlaat de heer des huizes de kamer met de mededeling 'ik ben in de tuin'. De hond volgt hem trouwhartig, kop omlaag, blij dat hij geen getuige hoeft te zijn van het naderende onweer. Als de storm is uitgewoed en ik mijn man opzoek, zit hij vaak rustig op een stoeltje zijn werk te bezien. De hond ligt blij op een stuk hout te kauwen en kwispelt als hij mij ziet. Of het leuker is om een man te zijn weet ik niet, rustiger in ieder geval, denk ik dan.














