Ik ben van de laatste soort. Zeker in een tijd waar je altijd bereikbaar bent
en ook thuis de mailtjes van het werk kunt lezen, is voor mij vakantie weer
een vak apart geworden. Een kunst die je moet leren. Gestresst loop ik de
eerste dagen dan ook mopperend rond. Stiekem bekijk ik nog mailtjes. In bed
dansen voor het slapen alle klussen in een wilde cirkel door mijn hoofd, tot
ik bedenk dat ik hier toch wel erg onrustig van word. Normaal gesproken wil
dat op een zondagavond ook nog wel eens gebeuren, maar dan is er de
verlossing van het werken op maandag. Nou ja, verlossing is misschien wat
sterk uitgedrukt voor de maandag. Maar je druk maken over werk wat je de
komende weken niet zult doen is natuurlijk een beetje dwaas, om niet te
zeggen lichtelijk neurotisch. Wanneer de buurman vraagt of ik wat wil
drinken, denk ik onmiddellijk aan de waslijst met openstaande huiselijke
klussen. "Ik moet nog". Zijn reactie brengt me weer even terug in
het hier en nu: "Je moet toch niks, ik dacht dat jij vakantie had."
Vanochtend was het dan eindelijk zover dat de geest van vakantie op mij begon
neer te dalen. Ik zag dat het een prachtige beloftevolle dag was en besloot
dat het tijd was om de batterij van de mobiele telefoon van het werk maar
eens leeg te laten lopen. De computer gaat de komende weken op zwart en ik
stort me op de klei om het huis. Kromgebogen en met mijn vingers in de aarde
zal ik alle zorgen van het afgelopen jaar wieden, kappen, snoeien. Ik zal
mezelf dan plechtig beloven het komende jaar meer balans te zoeken, een
belofte die ik half september vergeten zal zijn. Maar misschien lukt het me
dit jaar wel. De zon schijnt tenslotte.














