Tot vrijdag mam, roept ze. Zondagmiddag. Ze gaat weg.
Terug naar Den Haag. Ze is er geboren en volgt er nu doordeweeks haar middelbare school met een prachtig kunstplan. Vijftien is ze, mijn oudste dochter, erg groot maar ook nog jong. Het is stil. Mijn sloffen staan verweesd naast de kachel. Het hele weekend ben ik ze kwijt. Altijd sjokt ze er op rond als ze thuis is. Ik trek ze aan en glimlach. Het theekopje dat ze overal mee naartoe sleept, staat nog naast de computer. Op de computer staan nog allerlei recepten open die ze wou uitproberen. Het zijn glutenvrije recepten. Ze heeft uiteindelijk drie broden gebakken en een chocoladereep gemaakt. Ze heeft alles zorgvuldig ingepakt. Eigenlijk had ze nog drie dingen willen bakken. Jeugdige overmoed en te veel willen. Maar wat ze deed was perfect. Het zijn heerlijke glutenvrije broden. Wie glutenvrij eet, weet dat er inmiddels veel glutenvrije producten zijn maar dat niet alles onder hoofdstuk 'heerlijk' valt.
Zelf bakte ik ooit ook vaak brood, evenals mijn moeder en mijn grootmoeder. Brood bakken, zeker met verse gist, is iets primairs. Het gehannes met het deeg. Het wonderlijke fenomeen van het rijzen en dan in de oven. Niets is moeilijker te weerstaan dan de geur van vers gebakken brood. Ik ken mensen die vanwege één of ander dieet van alles niet mogen eten, waaronder brood. Zonder uitzondering vinden ze het gemis van brood het grootst.
De hond jankt zachtjes. Hij kijkt door het raam naar de lege parkeerplaats. Ze is weg, tot zijn verdriet. Het brood heeft ze meegenomen. Het brood is voor Den Haag. Het is een speciaal brood voor een speciaal mens daar. Haar aanwezigheid zingt nog na in mijn oren.
Ik kijk uit het raam en zie de ganzen die luidkeels huiswaarts keren, het avondrood kleurt de lucht zachtroze boven het doodstille water van de kreek. De uil roept zachtjes en melancholisch. Wat rest is de vage geur van heerlijk versgebakken brood.