Ik was een kleine jongen, precies de goede leeftijd voor spelletjes, toen mijn moeder voorstelde dat mijn neefje kwam logeren.
Leek me leuk, aardige jongen.
Hij ontpopte zich echter als een absoluut spelletjesbeest in een verder volkomen verregende zomervakantie.
En hij won al-tijd.
Het waren twee weken gevuld met monopoly, memory, vier-op-een-rij en mens-erger-je-niet, dat wij steevast vanwege het geluid dat de bol met dobbelsteen maakte 'klikklakken' noemden.
Mijn zusje en ik verlangden hevig naar de dag van zijn vertrek.
Het jaar erop bood mijn tante haar spruit weer te logeren aan. Mijn zus en ik schrokken ons wild en smeekten onze moeder op de knietjes om vooral niet op het aanbod in te gaan.
Deze dagen ben ik weer aan het spelen geslagen. Wordfeud op de smartphone. 'Word-feud?', vraagt u? Da's heel modern scrabbelen via een slimme telefoon.
Je legt om beurten woordjes. Met je vinger sleep je de letterblokjes op hun plek en met de ingebakken chatfunctie kun je nog leuk babbelen met je tegenstander. Hartstikke leuk.
Inmiddels heb ik al heel wat spelletjes scrabble-nieuwe-stijl gespeeld met vrienden en collega's. Maar sommige dingen veranderen nooit.
We leven dertig jaar later en nog steeds ben ik notoir slecht in spelletjes.
Tegen wie ik het ook opneem jong, oud, slim of dom, één ding staat van tevoren vast: ik gá verliezen, en wie met me meespeelt, sleep ik onherroepelijk mee in mijn val.
Er is er maar één waar ik helemaal geen moeite heb. Een Terneuzense die worstelt met de G en de H.
Daar kan ik hemakkelijk van winnen.


Sorteer reacties











