Het went wel.
Ik ben al lang blij dat ik ooit getuige was van de vette jaren. Ik heb het meegemaakt al heb ik er nooit van kunnen profiteren. De generaties vóór mij hebben alles groter zien groeien. Meer ziekenhuizen, meer subsidies en meer regelingen voor zieken, werklozen, vluchtelingen en andere pechvogels. Ik ben echter mijn leven lang getuige van afbraak.
Straks, als ik oud en stram met mijn volwassen zoon door Vlissingen loop, kan ik hem vertellen wat er ooit allemaal was.
Het is het jaar 2043 en we wandelen door Vlissingen, de stad waar hij zijn jeugd doorbracht. Hij is al decennia de provincie uit. Hij wilde studeren en in Zeeland ging dat niet. Hij is er nooit meer teruggekeerd.
We lopen door de straat waar hij opgroeide. Ik wijs hem op het braakliggende terrein waar een groot bord door de zon gebleekt onleesbaar is geworden. Ik vertel hem dat daar jaren terug nog een plaatje op stond waar op te zien was wat voor huizen op de plek van het voormalige ziekenhuis gebouwd zouden worden. Het is er nooit van gekomen en het bord bleef maar staan.
Ik zal hem dan vertellen dat hij ergens op dat terrein geboren werd. En dat hij maar heel trots moet zijn op het feit dat hij nog in Vlissingen geboren is. Geboren Vlissingers zijn een zeldzaamheid.
Ik zal hem vertellen dat, toen hij klein was we hier nog een eigen rechtbank en een eigen gevangenis hadden. Ik zal hem vertellen hoe op zomerse dagen zogenaamde babyboomers in open auto's rondreden, mensen die de vette jaren nog echt meegemaakt hebben. Mensen die zelfs vóór hun zestigste met pensioen mochten en nog een zak geld op de koop toe kregen.
Hij zal me wel niet geloven. Hij zal wel denken dat pappa aan het malen is geslagen.


Sorteer reacties











