Ik ben, zo blijkt, niet de enige die zo graag op deze plek zijn zegje doet. De kandidaatcolumnisten staan in de rij. Meer dan honderd mensen hebben een proefstukje ingestuurd. De selectie vergt dus nog enige tijd. En zolang we er niet uit zijn, vul ik dit hoekje.
Dat gaat vandaag ook over in de rij staan. Afgelopen zondag kwam ik terugrijden uit Berlijn, waar ik met het gezin van een lang weekend had genoten. Ongeveer halverwege kwamen we stil te staan, in een file die werd veroorzaakt door een Unfall. In drie uur tijd legden we krap vier kilometer af. De zon brandde ongenadig op het autodak. Ineens hadden we alle tijd onze buren eens te observeren. Die man in zijn Fiatje met een fiets en een koffer op zijn dak. Dat meisje in haar hippe BMW. De één begon geërgerd te telefoneren dat hij later zou komen, een ander rookte op haar gemak een sigaretje. Steeds meer mannen klommen over de vangrail om een plasje te doen. Het besef dat iedereen in hetzelfde schuitje zat, veroorzaakte een gevoel van saamhorigheid. Behalve bij de enkele aso die over de vluchtstrook aan de file probeerde te ontkomen. Grote instemming als iemand daar zijn auto voor zette. Ineens begreep ik hoe een collectieve lust kan ontstaan iemand te lynchen.
Toen we eindelijk weer reden, kwamen we nog een half uur lang bekenden tegen. Die man in dat Fiatje. Die busjes van het Rode Kruis. Niet die brutalen van de vluchtstrook, natuurlijk. Die lagen een halve wereld op ons voor. Als zich uit die rij van stukjesschrijvers nou eens zo iemand zou losmaken...


Sorteer reacties











