Mijn moeder is 81. Ze is nog niet dement, maar wel extreem vergeetachtig. Ze zit nu in een verzorgingshuis met mensen die een stuk verder heen zijn. Dat zorgde voor taferelen die me deden denken aan de film One flew over the cuckoo's nest. Terwijl ik mijn moeder begroette, kwam een norse, zwijgzame man op nauwelijks twintig centimer van mijn zoon af staan. Om hem doordringend aan te blijven staren. Toen we mijn moeder in een rolstoel meenamen voor een wandeling, liep hij op een halve meter afstand achter ons aan. Hij mocht dan van de wereld zijn, toch had hij dondersgoed in de gaten dat wij de pincode kenden om de buitendeur te openen. Want zo werkt het daar. Als je weet dat je twee knoppen tegelijk moet indrukken, kun je overal in het tehuis naar binnen. Maar om buiten te komen moet je de pincode kennen.
"Ik ben het zat", zei mijn moeder. "Zonde van de tijd dat ik hier zit." Ze wil naar huis, maar beseft onvoldoende dat dat niet gaat. Uit een opvang als deze gaat mijn moeder nooit meer weg. Voortaan eet zij aan één tafel met mensen die plotseling al haar boterhamworst aan hun vork kunnen prikken. Waarop een verpleger dat weer snel moet komen afpakken. Zoals zaterdag. Hilarisch om te zien, maar niet als je moeder erbij betrokken is.
Buiten konden mijn zoon en ik best lachen om die voorvallen, zoals mijn moeder en ik dat vroeger zeker ook hadden gekund.
"Misschien kom je hier over dertig jaar weer op bezoek", zei ik tegen hem. "Omdat ík er zit."
Ik hoop van harte dat hij dan kan blijven lachen. Want het enige alternatief is huilen.














