Eisen te hoog voor vrijwillige molenaar

door Harmen van der Werf. maandag 19 februari 2007 | 07:02 | Laatst bijgewerkt op: maandag 19 februari 2007 | 09:30

Tekstgrootte tekst verkleinentekst vergroten

| Beroepsmolenaar zonder papiertje |
| Molenrace is zelden spannend |
GOES - Een klap van de molen moet je wel hebben om vrijwilig molenaar te worden. De eisen voor een diploma zijn zo hoog dat het bijna ontmoedigend werkt. De opleiding moet eenvoudiger kunnen.

Pieter Hazelager heeft er bijna een hekel aan om op vakantie te gaan. Vier weken is hem echt te veel. Hij wil als vrijwillig molenaar niks liever dan dat zijn molen draait, de molen bij zijn woonplaats Borssele met de prachtige naam: De Hoop en Verwachting.


"Het klinkt gek", zegt Hazelager, "maar een molen slijt minder snel als die vaak draait. Een molen moet doortochten. Er moet lucht door. Molens bestaan voor het overgrote deel uit hout. Sluit je een molen lange tijd af, dan wordt het een natte, klamme zooi. En

muizen nemen het over, als ik een paar weken niet in de molen kom."

Een molen moet draaien, moet malen. Anders is die op den duur ten dode opgeschreven. Een molen moet een molenaar hebben. Geld valt er over het algemeen niet mee te verdienen. Het aantal beroepsmolenaars in Zeeland is op de vingers van één hand te tellen. Vrijwilligers houden de boel draaiende.

Hazelager, vakbondsman, gepokt en gemazeld in bestuurswerk, mag zich sinds 1997 voorzitter noemen van de Zeeuwse afdeling van het Gilde van Vrijwillige Molenaars. Dit gezelschap is in 1967 landelijk opgericht. "Vanuit de gedachte", vertelt Hazelager, "dat je molens wel in stand kunt houden, maar dat ze voor de eigen bevolking en ook voor toeristen pas echt interessant zijn, als ermee wordt gewerkt."

Het vakkundig opleiden van vrijwilige molenaars is één van de hoofdtaken van het Gilde. Kennis is het begin van alle kunde. Molens zijn ook niet zomaar omvangrijke stukken speelgoed. Ze vertegenwoordigen een grote waarde, cultuurhistorisch en financieel. De vervangingswaarde van een molen is al snel een half miljoen euro. En, niet onbelangrijk, werken in een molen is niet zonder risico. Hazelager: "Ongelukken gebeuren juist met molenaars die bekend zijn met hun molen. Je hoort iets, gaat kijken en even snel iets smeren. En ja, als je dan alleen bent, kun je niet vlug de molen stilgooien."

Voor Hazelager staat het buiten kijf: een vrijwillige molenaar moet weten wat-ie doet. Hij heeft een stevige opleiding nodig, maar de eisen die worden gesteld, zijn naar het oordeel van Hazelager niet meer van deze tijd. "Waarom moeten vrijwilligers in Zeeland weten hoe een olieslagmolen in Limburg werkt of een houtzaagmolen in Leiden?", stelt Hazelager een vraag waarop hij zelf direct het antwoord geeft. "Zij hebben daar niks aan, want zulke molens zijn er niet in Zeeland."

De opleiding tot vrijwillig molenaar is veel te breed. Hazelager trekt een mooie vergelijking: "Iemand wil in een gewone auto leren rijden, maar hij wordt gedwongen daarvoor een groot rijbewijs te halen. Zo werkt de molenaarsopleiding nu."

Het gevolg is dat in Zeeland van de 78 leden van het Gilde er maar een kleine veertig een diploma hebben. Alle anderen, onder wie Hazelager zelf, zijn nog in opleiding. Nieuwkomers schrikken terug. Het Gilde weet dat ook. Jaren wordt er al gesteggeld over nieuwe eisen. "Gelukkig is het nu zover dat er schot in komt", durft Hazelager te stellen. "Er worden deelopleidingen uitgewerkt."

Het mooiste zou volgens Hazelager zijn, als mensen een op hun dorps- of stadsmolen toegesneden cursus kunnen volgen. "Hoedekenskerke is wat dat betreft hét voorbeeld. Drie vrijwilligers staan daar klaar om de molen te bedienen. Zulke mensen moet je koesteren en niet belasten."


Meest gelezen