DEN HAAG - De Westerschelde mag worden uitgediept. Het baggeren leidt niet tot schade aan de natuur. Die uitspraak heeft de Raad van State vanochtend gedaan.
De Raad van State oordeelt dat de gevolgen van de verruiming en de verdieping van de Westerschelde voor het beschermde natuurgebied niet zó onzeker zijn, dat de staatssecretaris en de minister in juli 2008 hadden moeten afzien van de vaststelling van het tracébesluit. De gevolgen voor het natuurgebied zijn daarna gedetailleerd onderzocht in het kader van de Natuurbeschermingswetvergunning. Uit dat onderzoek blijkt volgens de Raad van State dat de verruiming van de vaargeul 'niet een zodanig slibtransport tot gevolg heeft dat daardoor natuurwaarden in het Verdronken Land van Saeftinghe worden aangetast'. Daarnaast is 'niet aannemelijk gemaakt dat verruiming van de vaargeul leidt tot een achteruitgang van de waterkwaliteit die aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Westerschelde met zich brengt'. Verder acht de Raad van State de vrees van de Vereniging van Zandwinners ongegrond dat het tracébesluit zal leiden tot een afname van de zandwinningsmogelijkheden.
Kort voor de behandeling van de zaak op 18 december hebben milieuorganisaties hun beroepen ingetrokken. Door deze intrekkingen waren een groot aantal bezwaren tegen de natuurbeschermingswetvergunning niet langer aan de orde in het door de Raad van State te behandelen beroep. Er zijn nu geen juridische belemmeringen meer voor het kabinet om de vaargeul van de Westerschelde te verruimen en te verdiepen.



Sorteer reacties
























