De aanleg van nieuwe schorren en slikken in de Westerschelde is het alternatief voor ontpoldering dat het kabinet-Balkenende aan de Europese Commissie wil voorleggen. De nieuwe schorren en slikken kunnen alleen in de Westerschelde worden aangelegd en in stand worden gehouden, als ze worden vastgezet met strekdammen en steenbestortingen. Anders verdwijnen ze onherroepelijk in het water.
De Westerschelde is in Nederland nog één van de weinige echte intergetijdengebieden, samen met de Eems-Dollard. Zeewater kan er vrijelijk in- en uitstromen en ver in het Vlaamse achterland vloeit het samen met het rivierwater van de Schelde. Zandplaten, slikken en schorren maken deel uit van dit natuurlijke samenspel, dat overigens al danig is verstoord door eerdere verdiepingen.
In 1997, bij de vorige verdiepingswerken, is twintig kilometer geulwand verstevigd met steenbestortingen. Met name bij Walsoorden is dat gebeurd, om te voorkomen dat de vaargeul zo ver zou oprukken dat de oevers en uiteindelijk de dijken worden aangetast. De Westerschelde is er gekanaliseerd, in een keurslijf gedrukt. De aanleg van nieuwe schorren en slikken zal dit kanalisatieproces nog versterken.
Voor het functioneren van de Westerschelde als natuurgebied is dit niet goed, maar ook de veiligheid van het achterland is er niet mee gediend. De gemiddelde hoogwaterstanden in de Westerschelde en verderop in de Zeeschelde zijn sinds 1900 door inpolderingen en vorige verdiepingen veel sneller gestegen dan de zeespiegel. Bij Hansweert scheelde dat al in 1990 veertig centimeter en sinds die tijd is dat alleen verder gegaan.
Het verder in een keurslijf drukken van de Westerschelde door nieuwe schorren en slikken aan te leggen, zal ertoe leiden dat de hoogwaterstanden nog verder stijgen. Het zeewater dat de Westerschelde instroomt bij vloed, moet toch ergens heen. Antwerpen kan alvast de hoogwaterkeermuren verhogen.
Het alternatief voor ontpoldering is geen alternatief. Het is de politiek meest haalbare oplossing, vergelijkbaar met de beslissing van het kabinet-Den Uyl in 1974 tot aanleg van de stormvloedkering in de monding van de Oosterschelde. Het volledig afsluiten van de Oosterschelde was met dit besluit van de baan, maar achteraf was het veel beter (en goedkoper) geweest de Oosterscheldedijken te versterken. Zandplaten in de Oosterschelde kalven af. Het voedselaanbod voor vissen en schelpdieren is er dramatisch gedaald, onder meer omdat er geen rivierwater meer binnen kan komen.
Ondanks alle beschermende maatregelen dreigt de Oosterschelde het karakter van een levende zeearm te verliezen. De Westerschelde wacht hetzelfde lot bij de aanleg van nieuwe schorren en slikken.


Sorteer reacties
















