Willem Dudok van Heel schreef 47 jaar geleden een proefschrift waarin hij de massastrandingen van dolfijnen en walvissen verklaart. foto Lex de Meester
Regelmatig duikt het verschijnsel op. Een groep dolfijnen of walvissen loopt
vast op de kust. Tijdens de trek van noord naar zuid verdwaald, berichten de
media. Of: zieke dieren. „Kletskoek”, meent Willem Dudok van Heel uit
Vlissingen. Hij weet al 47 jaar waarom walvissen stranden.
Twee weken geleden was het opnieuw raak. Tachtig grienden en tuimelaars
zwommen een wisse dood tegemoet in een Australische baai. En prompt dook de
verdwaaltheorie weer op. "Ze waren helemaal de weg niet kwijt",
reageert doctor Dudok van Heel fel. "Die grienden zaten waarschijnlijk
gewoon achter een school lekkere inktvissen aan. Een ongeluk zit in een
klein hoekje."
Waarom stranden walvissen en dolfijnen? Het is een
vraag die de nu 82-jarige zoöloog vijf jaar bezighield. Dat was vóór hij
zich wijdde aan de oprichting van het Dolfinarium in Harderwijk. "Ik
ben op dit onderwerp in 1962 gepromoveerd. En dan wordt er soms ronduit
gezegd dat niemand weet hoe het komt dat deze dieren stranden."
Zijn proefschrift Sound and cetacea trok destijds internationale aandacht.
Dudok van Heel ontdekte dat bepaalde walvisachtigen die in diep water leven
met hun sonar zachtglooiende zandstranden niet 'zien'. Ze merken het strand
pas op, als ze bijna aan de grond geraakt zijn. En raken dan met z'n allen
in paniek.
Bestudering van gehoor en gedrag van deze diersoort en
het uitpluizen van literatuur over 133 strandingen, gaven hem inzicht in dit
fenomeen. " Bij het overgrote deel van de massa-strandingen zie je
eigenlijk maar twee soorten: de griend en de kleine zwaardwalvis.
De dieren lopen vaak vast in een baai met links en rechts een rotskust. Ze
denken dat daar een doorgang is. Maar ze kunnen ook zo maar op een open
strand of op een rotskust stranden. Dan ligt er een grote vlakke bodem voor."
Uit proeven met door hemzelf in Denemarken gevangen bruinvissen was
al gebleken dat dolfijnachtigen (in tegenstelling tot de mens) onder water
richting kunnen horen. "Maar als je zo goed kunt horen en je hebt een
sonarsysteem, waarom dan paniek?"
Het antwoord bracht een
experiment met een 'geleende' onderzeebootjager op de Waddenzee. "Op de
echobeelden van de sonar zagen we vanuit diep water netjes de zandbank
liggen. Kwamen we dichterbij, dan verdween die. De sonar ging over de eerste
hindernis heen en pakte de volgende. Jagende dieren kunnen zo haast
ongemerkt in ondiep water terechtkomen", legt hij uit. "Eenmaal in
vlak ondiep water kregen wij van overal om ons heen echo's. Maar nergens een
aanwijzing waar het diep zou kunnen zijn! Kun je je voorstellen dat
diepwaterdieren dan in paniek raken?"
De Vlissinger vindt het
jammer dat zijn theorie niet meer wordt aangehaald. "Nu gaat alles per
computer. Wat vroeger is gepubliceerd, zie je niet meer terug. Natuurlijk is
er sindsdien waardevolle kennis bij gekomen en beter onderzoek gedaan. Maar
niet op dit gebied. Laten ze mijn stelling maar eens onderuit halen."



Sorteer reacties










