Het scheepswrak dat in 1999 bij Ritthem werd gevonden, blijkt 'van hoge archeologische waarde'. Dat concludeert Arent Vos van de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM) na diverse onderzoeken.
Volgens hem gaat het mogelijk om het 'voor Nederland oudste teruggevonden oorlogsschip, wat functioneerde rond het begin van de Tachtigjarige Oorlog'.Een duikteam onder leiding van Vos heeft eind 2006 bij een zogeheten waardestellende verkenning houtmonsters genomen en drie kanonnen boven water gehaald. Eén monster met 105 jaarringen bracht aan het licht dat het hout in 1552 werd gekapt. Een tweede monster leverde een nagenoeg gelijke datering op, aldus Vos. Met inachtneming van een zekere marge gaat de onderwaterarcheoloog er van uit dat het schip omstreeks 1555 tot 1560 in de vaart is gekomen. Eveneens nog in de tweede helft van de zestiende eeuw vond het zijn ondergang in de Westerschelde. Onderzoek van de kanonnen staaft die bewijsvoering, zegt Vos.
De kanonnen zijn sterk aangegroeid door een klomp zand, schelpen en ijzerdeeltjes en daardoor moeilijk te onderzoeken. Röntgenbeelden hebben uitgewezen dat ze niet (meer) geladen zijn.
Volgens Vos kan dat inhouden dat het schip in een gevecht ten onder is gegaan. Wanneer de onderzoekers er in slagen de korst rondom voorzichtig te verwijderen, kunnen mogelijk aan de hand van inscripties verdere details worden afgelezen over de herkomst. Vos houdt het vooralsnog op 'een vroeg admiraliteitsschip, mogelijk Zeeuws'.
Souvenirduikers hebben eerder vier en mogelijk zelfs zes kanonnen opgedoken. Twee zijn verkocht aan een particulier, waarvan er één via een Londens veilinghuis voor veel geld weer is doorverkocht. Op foto's en tekeningen die door de duikers en (amateur) archeologen zijn gemaakt, is duidelijk de zogeheten vuurslag van de Hertogen van Bourgondië te herkennen. Indertijd waren dat de graven van Zeeland, Holland en Vlaanderen.
Vos werd door de Wrakduikstichting de Roompot (WDSR) uit Kamperland attent gemaakt op de bijzondere vondsten. Van het wrak is weinig meer over dan een stuk bodem (het middendeel) van 18 meter lang en 9 meter breed. Het ligt op de rand van een ongeveer 20 meter diep plateau. Het grootste deel van het schip is verdwenen in de vaargeul en weggespoeld door de harde getijdestroom. Het restant dreigt door de 'oprukkende hoofdgeul' in de aanloop naar de Sloehaven het zelfde lot te ondergaan, waarschuwt Vos.
De archeoloog zou het liefst zien dat het wrak op korte termijn wordt geborgen. Dat bepleit hij in een verslag voor de bundel Maritieme Vindplaatsen, die deze maand werd uitgebracht door de landelijke werkgroep LWAOW en het RACM. Alleen met een opgraving kan 'de historische informatie, die in het wrak besloten ligt, worden veiliggesteld', zegt Vos.
Hij betitelt de vondst als 'onverwacht oud'. De stroming in de Westerschelde is dusdanig, dat de kans nog een wrak te vinden uit de zestiende eeuw volgens hem 'uiterst klein' was. "Eigenlijk had dat al tweehonderd jaar geleden weg moeten zijn. Sterker nog, als het schip vijftig meter verder was gezonken, wás er nu niets meer van over geweest." Het wrak ligt in druk vaarwater, waar duiken officieel verboden is.














