Eén van zijn voorgangers, toenmalig hoofd Meteo kapitein J. H. Boer wilde het naadje van de kous weten. Hij wist ruim zevenhonderd regen- en onweerwaarnemers in Zeeland, Goeree-Overflakkee, Voorne-Putten, West-Brabant (tot aan Breda) en een aantal Belgische vrijwilligers te strikken voor een grootscheeps buienonderzoek. Ook kwamen er zeventien bliksemtellerstations. Tussen 1963 en 1968 werden drie miljoen gegevens verzameld en geanalyseerd.
Adjudant Egthuijsen heeft het rapport opgeduikeld uit het archief. Een pak papier dicht betikt met ouderwetse schrijfmachineletters en met de hand ingetekende kaarten. Hij kijkt er met enig ontzag naar: het moet in het computerloze tijdperk een heidens karwei zijn geweest. Geen e-mail; de waarnemers stuurden maandelijks een speciale briefkaart op met hun dagelijkse bevindingen.
,,Dan had Boer ineens enkele postzakken vol", lacht Egthuijsen. ,,Ik heb begrepen dat de hele Meteo meegedaan heeft aan het verwerken van de gegevens. Er was kennelijk veel enthousiasme voor.''
Er verschenen zeven tussenverslagen en in 1969 een eindrapport. Het is vrijwel vergeten, maar de uitkomsten zijn nog altijd van kracht.
Egthuijsen tekent er wel bij aan dat een periode van vijf jaar voor klimatologen erg kort is. Een ononderbroken reeks van minstens tien jaar geeft meer houvast. Niet voor niets rekenen meteorologen met klimaatperioden van dertig jaar. Zo'n periode is ook nodig om conclusies te trekken over voorkeursbanen van onweer. Die zijn in het onderzoek van Boer daarom niet uitgewerkt.
Ook waren de deltawerken nog in een beginfase; de afsluiting van de zeearmen heeft invloed op de vorming van buien.
De adjudant trekt enkele lijnen boven Zeeland. Heel veel buien komen met (zuid)zuidwesten wind mee; dat is met name in de zomer duidelijk merkbaar. Bij westelijke wind treden in het oostelijk deel van de provincie actievere buien op en is het aan de kust droger. ,,Dat doet zich in het bijzonder in het voorjaar en begin van de zomer voor. Het heeft te maken met de nog niet zo hoge temperatuur van het water. Dat effect wordt omgedraaid naarmate de zomer vordert en in het najaar. Dan zijn er aan de kust wat meer buien."
Voorspellingen houden met dergelijke gegevens nauwelijks rekening. Egthuijsen kan zich de kritiek van bijvoorbeeld strandpaviljoenhouders voorstellen, die klagen dat de verwachting voor de kust dikwijls niet klopt. ,,Je moet het goed koppelen aan het jaargetijde."
Kijkend naar de resultaten van Boers onderzoek, merkt hij op dat een verklaring voor de voorkeursbanen van buien heel lastig is. ,,Je kunt een mooie buienbaan op papier hebben, maar die klopt lang niet altijd." De windrichting, de watertemperatuur, de grondsoort (zand warmt sneller op dan pure klei), het getij - allemaal factoren die in meer of mindere mate een rol spelen.
,,Als laagwater op een bepaald tijdstip valt - aan het begin van de middag, net voor de maximum temperatuur wordt bereikt - staat er minder water. De zandplaten liggen droog, gaan blinken en hebben effect op buien. In tegenstelling tot hoogwater, als met de vloed kouder water binnenkomt en de platen bedekt zijn", legt Egthuijsen uit.
Tegenwoordig maakt de Luchtmacht Meteorologische Groep gebruik van modernere en snellere technieken. Satellieten zijn onmisbaar geworden. ,,We maken voor vluchten, zoals boven Zeeland met de Pilatus-lesvliegtuigen, voor de zeer korte termijn zo gedetailleerd mogelijke verwachtingen."




























